Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:17757
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
3,680 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.31915 (beroep) en NL23.31919 (voorlopige voorziening)
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. E.G. Angela).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot verlening van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000.
2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van [geboortedatum] 2020 afgewezen. Het door eiser ingediende bezwaar is bij besluit van 3 juni 2020 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 mei 2021 heeft de rechtbank het daartegen door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraak. Op 13 oktober 2022 is het hoger beroep – dat door verweerder is ingesteld – ongegrond verklaard. Conclusie is dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het niet mogelijk is te onderzoeken wat eiser heeft aangevoerd over de feitelijke toegang tot de noodzakelijke medische zorg in Marokko.
2.1.
Verweerder heeft vervolgens aan het Bureau Medische Advisering (BMA) verzocht een nieuw medisch advies uit te brengen. Eiser heeft tussentijds medische stukken overgelegd. Uiteindelijk heeft dit ertoe geleid dat het BMA drie (aanvullende) adviezen heeft uitgebracht, namelijk op 24 maart 2023, 3 augustus 2023 en 15 augustus 2023.
2.2.
Met het bestreden besluit van 6 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Naar aanleiding van de aanvullende beroepsgronden van 19 augustus 2024 heeft verweerder nog een aanvullend BMA-advies opgevraagd, wat is gekomen op 18 oktober 2024.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 26 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Majdoubi als tolk, [naam] als begeleidster van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van de besluiten
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1969 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 12 januari 2011 is eiser door de Nederlandse autoriteiten met een laissez-passer uitgezet naar Marokko. Eiser is in 2018 Nederland weer ingereisd. Eiser heeft eerder uitstel van vertrek gevraagd. Verweerder heeft dat tweemaal verleend omdat eiser leed aan tuberculose. In de procedure waar het nu om gaat heeft eiser nogmaals verzocht om uitstel van verstrek.
4. In het bestreden besluit werpt verweerder eiser het volgende tegen. Uit de BMA-adviezen van 24 maart 2023 en 16 augustus 2023 die als uitgangspunt dienen blijkt dat eiser bekend is met diabetes mellitus type 2, epilepsie, CVA met restverschijnselen, COPD/longemfyseem en hypertensie (hoge bloeddruk). Bij het uitblijven van behandeling wordt een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden verwacht. De benodigde behandeling om een medische noodsituatie te voorkomen is in Marokko aanwezig, dit blijkt uit brondocument AVA 16666 en 16001. Uit het aanvullende advies van 3 augustus 2023 blijkt dat eiser ook bekend is met angstklachten, waarbij door de BMA-arts is geoordeeld dat het uitblijven van behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Voor de zorgvuldigheid is de beschikbaarheid van behandeling wel uitgezocht, deze is blijkens AVA 17033 in Marokko aanwezig. Uit het advies van 3 augustus 2023 is verder gebleken dat eiser professionele zorg ontvangt, welke noodzakelijk wordt geacht. Deze is in Marokko aanwezig, dit blijkt uit AVA 17041. Door de BMA-arts is geoordeeld dat eiser kan reizen, mits er vooraf een fit-to-fly beoordeling heeft plaatsgevonden, hij tijdens de reis begeleid wordt door een psychiatrisch verpleegkundige en na de reis wordt overgedragen aan een mantelzorger of een instelling die de zorg overneemt. Een voorbeeld van een instelling is het [naam instituut] , Rabat. Eiser is er volgens verweerder niet in geslaagd om aan te tonen dat de noodzakelijke zorg voor hem in het land van herkomst niet toegankelijk is. Weliswaar heeft hij enige informatie overgelegd, maar dit is volgens verweerder niet voldoende. Eiser heeft niet met actuele en persoonlijke stukken aannemelijk gemaakt dat zijn medische behandeling niet door een verzekering zal worden vergoed, dan wel dat hij geen aanspraak kan maken op sociale steun van de overheid. Ten aanzien van de fysieke overdracht merkt verweerder nog het volgende op. Voordat deze plaatsvindt wordt de medische overdracht geregeld door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Als de medische overdracht niet geregeld kan worden, zal eiser niet worden uitgezet.
Beoordeling
Griffierecht
5. Eiser heeft zowel voor het beroep als voor het verzoek om een voorlopige voorziening verzocht om te worden vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht. De rechtbank zal dit toewijzen, gelet op de overlegde verklaring omtrent inkomen en vermogen. Eiser wordt dus in beide procedures vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht.
Over het beroep
6. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers aanvraag tot verlenging van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
8. Tussen partijen is niet in geschil dat op korte termijn een medische noodsituatie wordt verwacht bij het uitblijven van de door eiser benodigde behandeling. Het staat niet ter discussie dat eiser 24-uurszorg nodig heeft en dat dit alleen kan in het [naam instituut] , Rabat. Het geschil spitst zich toe op de vragen of de door eiser benodigde behandeling beschikbaar is in Marokko (zoals het BMA heeft geconcludeerd) en of die feitelijk toegankelijk is voor hem.
9. Eiser voert in dat verband – kort gezegd - aan dat de zorginstelling vol zit en alleen mensen boven de 60 jaar aanneemt. Verder voert eiser aan dat de medische behandeling niet toegankelijk is in verband met de kosten daarvan.
9.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), volgt dat een BMA-advies een deskundigenadvies is. Verweerder moet, als hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van vergewissen dat dit advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Als aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij zijn beoordeling in beginsel van de juistheid van dit advies uitgaan. Eiser kan de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en concludentie van het BMA-advies aan de orde stellen en concrete aanknopingspunten aanvoeren voor twijfel aan de inhoud van dat advies.
9.2.
Uit vaste rechtspraak volgt verder dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat de voor hem noodzakelijke behandeling en medicatie om financiële of andere redenen feitelijk niet toegankelijk zijn. Pas als de vreemdeling daarin slaagt, is het aan verweerder om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM weg te nemen.
9.3.
Eiser heeft twijfel aan het BMA-advies aan de orde gesteld door te verwijzen naar het verblijfscontract van de zorginstelling, waaruit volgt dat de instelling enkel toegankelijk is voor 60-plussers, wat eiser niet is. Verweerder heeft hierop in reactie gewezen op het laatste BMA-advies waarin is gevraagd naar die situatie. De volgende vragen zijn gesteld: ‘Is long term care in a nursing home available for a 55-year old patient with multiple somatic disorders and anxiety disorder as described above? According to a third party information, [naam instituut] ) in Rabat only accepts patients from 65 years and older. Can you confirm this information?’ Daar is het volgende antwoord op gegeven: ‘Yes, this treatment is available in [naam instituut] in Rabat for the 55 year old patient’. De rechtbank is van oordeel dat dit antwoord onvoldoende duidelijk is. Het lijkt enkel een antwoord te zijn op de eerste vraag. Er wordt niet expliciet antwoord gegeven op de tweede vraag. Op zitting heeft verweerder desgevraagd opgemerkt dat er staat dat het mogelijk is voor de 55-jarige patiënt en dat verweerder uitgaat van het BMA-advies. De rechtbank vindt dat onvoldoende opheldering. De rechtbank is daarom van oordeel dat er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan het BMA-advies. Verweerder heeft daarom niet van dit advies mogen uitgaan. Het beroep is daarom al gegrond.
9.4.
De rechtbank geeft nog het volgende aan verweerder mee. Het staat niet ter discussie dat het [naam instituut] op dit moment vol zit. Er is dus geen plek voor eiser. Volgens verweerder betekent dit echter niet dat dit in de nabije toekomst zo blijft. Omdat gebleken is dat dit tehuis de plek is waar eiser de voor hem noodzakelijke zorg kan ontvangen, zal eiser niet worden overgedragen tenzij er daadwerkelijk plek voor hem is in het tehuis, aldus verweerder. De rechtbank merkt op dat het niet in geschil is dat er ‘maar’ 44 plekken beschikbaar zijn bij de zorginstelling. Het is dus maar de vraag in hoeverre er dan gesproken kan worden over toegankelijke zorg. Zoals verweerder stelt zal er ooit wel een plek beschikbaar komen, maar de aanvraag van eiser ziet op uitstel van vertrek en niet op het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Vaststaat dat er op dit moment geen plek is voor eiser en de zorg voor hem dus ook niet toegankelijk is.
9.5.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan het BMA-advies. Daarnaast ontbreekt een deugdelijke motivering of de zorg feitelijk toegankelijk is. De overige door eiser aangevoerde gronden kunnen buiten bespreking blijven.
Conclusie
10. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Hoewel er in deze procedure al eerder een beslissing op bezwaar is vernietigd, betrekt de rechtbank daarbij dat het toen ging om de vraag of verweerder deugdelijk had gemotiveerd waarom het in het geval van eiser niet mogelijk was om de feitelijke toegankelijkheid tot de noodzakelijke medische zorg te beoordelen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening
11. Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, is er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.
Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening
12. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL23.31915,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL23.31919,
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken:,
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter/voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 15 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1268, en van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674.
Zie het arrest Paposhvili tegen België van het EHRM van 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:986, onder 3.2, en van 26 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2046, onder 4.1.
Verweerder heeft in de vraag over 65 jaar, maar zij lijken te doelen op 60 jaar.