Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:17720
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,707 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35589
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. M. Ponne).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de termijn waarbinnen eiser aan de lidstaat moet worden overgedragen die volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag van eiser. Deze overdrachtstermijn is verlengd, eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de overdrachtstermijn op juiste wijze is verlengd. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 9 februari 2025 is de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is. België heeft op 7 februari 2025 het verzoek om eiser over te nemen geaccepteerd.
2.1.
Op 24 juli 2025 is een brief aan België verzonden waarin is aangegeven dat eiser niet binnen de termijn van zes maanden kan worden overgedragen, maar dat de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening met twaalf maanden is verlengd. Op 24 juli 2024 is dit besluit ook aan eiser verzonden.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de verlenging van de overdrachtstermijn.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld.
Beoordeling
3. Eiser stelt dat België niet verantwoordelijk is nu België heeft geweigerd eiser terug te nemen. Daarnaast is de verlenging volgens eiser niet tijdig ingeroepen. Ook stelt eiser dat, wanneer er sprake is van onderduiking, er strenge eisen worden gesteld aan de verlenging van de overdrachtstermijn. Zo moet bijvoorbeeld onderzocht worden of de asielzoeker daadwerkelijk is gevlucht. Daarbij dienen termen zoals “vlucht” strikt geïnterpreteerd te worden.
4. De rechtbank overweegt allereerst dat tussen partijen niet in geschil is dat de verlenging van de overdrachtstermijn een appellabel besluit betreft. Immers, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 14 december 2022 geoordeeld dat het verlengen van de overdrachtstermijn een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze verlenging is namelijk op rechtsgevolg gericht. Daarbij heeft de Afdeling geoordeeld dat er in dergelijke gevallen aanleiding bestaat om aan te sluiten bij artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Awb gelezen in samenhang met de Regeling rechtstreeks beroep zodat er rechtstreeks beroep open staat tegen het verlengingsbesluit.
5. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de minister de termijn heeft kunnen verlengen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat België niet verantwoordelijk is omdat België heeft geweigerd eiser terug te nemen. Uit de brief van 7 februari 2025 volgt dat de Belgische autoriteiten de overname van eiser accepteren. België heeft eiser dus niet geweigerd terug te nemen. Eiser heeft zijn stelling dat België hem heeft geweigerd niet onderbouwd met stukken en ook anderszins is niet gebleken dat België eiser niet (meer) over zal nemen. De stelling van eiser dat de termijn te laat is verlengd volgt de rechtbank evenmin. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening dient een vreemdeling binnen zes maanden na aanvaarding van het overnameverzoek te worden overgedragen. Nu België het verzoek op 7 februari 2025 heeft geaccepteerd was de overdrachtstermijn op 24 juli 2025, de datum waarop de termijn is verlengd, nog niet verstreken. De stelling van eiser dat de verlenging van de uiterste overdrachtstermijn niet tijdig is ingeroepen volgt de rechtbank dan ook niet.
5.1.
De rechtbank stelt verder vast dat de termijn voor overdracht met twaalf maanden is verlengd omdat eiser gevangen zit. De termijn is niet verlengd omdat eiser is ondergedoken. Dat eiser benoemt dat een begrip als “vlucht” strikt geïnterpreteerd dient te worden bij de verlenging van de termijn kan de rechtbank dan ook in dit specifieke geval niet volgen. In artikel 29, tweede lid, tweede volzin van de Dublinverordening is opgenomen “Indien de overdracht wegens gevangenzetting van de betrokkene niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal één jaar worden verlengd of tot maximaal 18 maanden indien de betrokkene onderduikt.”. In het geval van eiser is duidelijk dat hij is gedetineerd en dat de termijn om die reden is met twaalf maanden is verlengd. Dit is een letterlijke invulling van hetgeen in de Dublinverordening is benoemd. Van een onjuiste interpretatie is dan ook geen sprake.
5.2.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het beroep van eiser niet. Het beroep is ongegrond. De minister heeft de termijn op deze manier kunnen verlengen.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de verlenging van de uiterste overdrachtstermijn in stand kan blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier en bekendgemaakt door middel van gepseudonimiseerd publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening nr. 604/2013.
ECLI:NL:RVS:2022:3630.