Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:17718
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,914 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht
Zaaknummers: NL23.37325 (beroep) en NL23.37330 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiseres]
, geboren op [geboortedag] 1944, eiseres/verzoekster, hierna: eiseres (gemachtigde: mr. L.K. Matpanözer),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. P. van Ittersum).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van het EVRM1 en het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudende dat eiseres de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 10 oktober 2022 afgewezen (het primaire besluit). Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar te treffen. Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 23 november 2023 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: twee zonen van eiseres, waaronder R.A. Dahoe als informant, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Beoordeling
2. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe.
3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing door verweerder van de vergunningaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
5. Eiseres is op 23 februari 2022 naar Nederland gekomen om bij haar (klein)kinderen te zijn nadat haar echtgenoot in Suriname is overleden. Op 29 juli 2022 heeft één van haar kinderen (referent) de aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel verblijf bij haar kinderen in Nederland. Al haar (zeven) kinderen en (veertien) kleinkinderen wonen in Nederland, bezitten de Nederlandse nationaliteit en hebben hier hun werk en sociale leven. Eiseres kampt met medische problemen; zij heeft in Nederland een hartinfarct gehad en daarna is bij haar de ziekte van Kahler (kanker van plasmacellen) vastgesteld. Eiseres staat onder behandeling bij een internist-hermatoloog voor de multipel myeloom wat een levenslange behandeling en medicatie betreft. Ook staat eiseres onder levenslange behandeling bij een cardioloog voor een ischemische hartziekte, hypertensie en hypercholosterolemie. Verder hebben de kinderen van eiseres en de medisch specialist verklaard dat zij in Nederland volledig afhankelijk is van de mantelzorg die zij van haar kinderen krijgt.
Besluitvorming
6. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat geen sprake is van beschermenswaardig familieleven tussen eiseres en haar andere kinderen in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiseres en haar kinderen hebben lange tijd, in ieder geval sinds de jaren negentig, van elkaar gescheiden geleefd. Er is geen sprake van een situatie waarbij eiseres exclusief afhankelijk is van haar kinderen. Eiseres heeft niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken aangetoond dat zij hulpbehoevend is, bekend is met medische klachten, dat zij onder behandeling staat en dat zij niet zelfstandig kan functioneren. Ook neemt verweerder in de afwijzing mee dat eiseres zich tot 22 februari 2022 zelfstandig staande heeft kunnen houden in Suriname. Verder is niet gebleken dat er in Suriname geen mogelijkheden zijn voor verzorging. Volgens verweerder is het begrijpelijk dat eiseres na het overlijden van haar echtgenoot graag bij haar kinderen wil verblijven, maar dit is niet voldoende om een meer dan bijzondere afhankelijkheid aan te nemen. De ondersteuning die eiseres krijgt van referent en haar andere kinderen kan namelijk als gangbaar worden aangemerkt tussen een ouder en een meerderjarig kind.
6.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder aan eiseres om medische redenen een vrijstelling2 van het mvv3-vereiste en uitstel van vertrek4 verleend tot 12 april 2024. Verder is verweerder bij de afwijzing gebleven. Dat eiseres bij haar kinderen verblijft en in de tussentijd de ziekte van Kahler bij haar is vastgesteld, betekent volgens verweerder niet dat er automatisch sprake is van een band die de gebruikelijke band tussen ouders en meerderjarige kinderen overstijgt. Dat eiseres 24 uur per dag mantelzorg krijgt is wat veel meerderjarige kinderen doen voor hun ouders die op (hoge) leeftijd zijn. Verweerder neemt wel aan dat eiseres en kinderen een sterke band hebben, maar de band is niet zodanig dat er sprake is van familieleven dat bescherming geniet onder artikel 8 EVRM.
Beroepsgronden eiseres
7. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat tussen haar en haar kinderen geen ‘more than the normal emotional ties’ bestaan. Zo heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt waarom hij geen gewicht heeft toegekend aan de financiële, materieel- praktische en emotionele afhankelijkheid en de zeer ernstige medische omstandigheden. In het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd waarom ondanks al deze omstandigheden geen sprake is van een band die de gemiddelde band tussen een ouder en haar meerderjarige kinderen overstijgt. Eiseres is al langer financieel afhankelijk van haar kinderen. De mantelzorg die eiseres krijgt, is van dergelijke intensieve aard dat deze zorg alleen door naasten kan worden gegeven. Verder is eiseres emotioneel afhankelijk van haar kinderen en kleinkinderen. In Suriname heeft zij geen emotionele steun meer: haar jongste zoon en haar echtgenoot zijn overleden. Het overlijden was overigens een enorme klap voor eiseres en bracht haar veel verdriet en depressieve klachten. Dat eiseres nu in Nederland is bij al haar kinderen en kleinkinderen heeft een enorm positief invloed op haar welzijn. Eiseres voert verder aan dat verweerder een zwaarwegend gewicht toekent aan exclusieve afhankelijkheid door te beoordelen of eiseres in staat is om zelfstandig te functioneren of de noodzakelijke zorg van derden in Suriname kan krijgen. Dit criterium is volgens eiseres niet te rijmen met het feit dat de afhankelijkheidsbeoordeling in artikel 8 van het EVRM een individuele, feitelijke beoordeling betreft, waarbij alle relevante omstandigheden in onderlinge samenhang moeten worden afgewogen.
Beoordeling
Meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie
8. De vraag die in deze zaak aan de orde is, is of tussen eiseres en haar meerderjarige kinderen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid (‘further elements of dependency, involving more than the normal emotional ties’). Volgens het EHRM5 kan immers dan pas worden gesproken van beschermenswaardig familieleven tussen ouders en meerderjarige (klein)kinderen.6
8.1.
Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij sprake is van bijkomende elementen van
2 Op grond van paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3 Machtiging tot voorlopig verblijf.
4 Op grond van artikel 64 van de Vw.
5 Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
6 Zie bijvoorbeeld het arrest van 12 juni 2010, Khan tegen het VK, app.no. 47486/06.
afhankelijkheid, een vraag van feitelijke aard is.7 De beantwoording daarvan is afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of sprake is van deze meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Van belang kan bijvoorbeeld zijn of de familieleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid8, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden9, de banden met het land van herkomst10 en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin.11
Exclusieve afhankelijkheid
9. De rechtbank overweegt dat een verkeerd toetsingskader gehanteerd zou worden, als de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie zou worden beperkt tot de vraag of eiseres niet is in staat is om zonder referent of haar andere kinderen te functioneren.12 Dat toetsingskader volgt namelijk niet uit de rechtspraak van het EHRM.13
9.1.
Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat bij de beoordeling of er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie relevant is of de mantelzorg die eiseres krijgt in medische zin noodzakelijk is. Zolang eiseres zichzelf staande kan houden in Suriname kan er geen sprake zijn van een bijzondere band tussen eiseres en haar kinderen in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee een verkeerd toetsingskader heeft gehanteerd. De vraag of eiseres al dan niet verzorgd kan worden door anderen of naar een verzorgingstehuis kan, zegt op zichzelf niets over de band van haar met haar (klein)kinderen. Door de toetsing in de kern te beperken tot de vraag of eiseres zonder haar andere kinderen in staat is zelfstandig te functioneren en een groot gewicht toe te kennen aan het criterium dat de banden zo sterk moeten zijn dat als gevolg van de scheiding de betreffende gezinsleden niet in staat zijn om zelfstandig te functioneren, werpt verweerder naar het oordeel van de rechtbank een te hoge lat op die niet uit rechtspraak van het EHRM volgt.14
Relevante elementen van afhankelijkheid niet in samenhang beoordeeld
10. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder in het bestreden besluit weliswaar alle relevante elementen van afhankelijkheid bespreekt, maar dat verweerder ten onrechte niet al deze elementen zichtbaar in samenhang heeft beoordeeld. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet zichtbaar gemaakt welke waarde wordt gehecht aan de individuele elementen en hoe die individuele elementen samen al dan niet de lat van een
7 Arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.
8 Arrest van 20 september 2011, A.A. tegen Verenigd Koninkrijk, app.no. 8000/08.
9 Arrest van 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, app.no. 23218/94.
Dictum
11 Arrest van 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, app.no. 31519/96.
12 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 10.2, de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1189, r.o. 4.2 en de uitspraak van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003, r.o. 3.2.
13 Arrest van 10 december 2024, Martinez Alvarado tegen Nederland, app. no. 4470/21.
14 Uitspraken van de rechtbank Den Haag van 27 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:11425 en 20 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6662.
meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie halen. Daarnaast lijkt verweerder, zoals hiervoor besproken, feitelijk een doorslaggevende betekenis te hebben toegekend aan de vraag of sprake is van ‘exclusieve afhankelijkheid’, terwijl dit slechts een element vormt dat onderdeel uitmaakt van de integrale beoordeling van alle relevante elementen.
10.1.
De rechtbank overweegt voorts dat verweerder zijn standpunt over de financiële afhankelijkheid en de emotionele afhankelijk onvoldoende heeft gemotiveerd. Zo blijkt uit het bestreden besluit niet waarom niet aannemelijk is geacht dat de kinderen eiseres sinds 2016, het jaar waarin haar enige zoon in Suriname is overleden, financieel hebben ondersteund. Tot slot blijkt uit het bestreden besluit onvoldoende waarom, gelet op alle feiten en omstandigheden, er geen sprake is van emotionele afhankelijkheid tussen eiseres en haar kinderen. Uit deze feiten en omstandigheden blijkt namelijk dat eiseres de emotionele steun, de liefde en aandacht van haar (klein)kinderen hard nodig heeft gelet op haar hoge leeftijd, kwetsbare medische situatie en het overlijden van haar zoon en echtgenoot in Suriname. In het bestreden besluit is onvoldoende inzichtelijke hoe verweerder dit bij de beoordeling heeft meegenomen.
10.2.
Uit al het voorgaande blijkt dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd hoe verweerder de persoonlijke omstandigheden, zoals de zeer hoge leeftijd van eiseres, het feit dat eiseres sinds februari 2022 bij haar kinderen woont en door hen wordt verzorgd, haar ernstige medische problemen, de zorg en liefde die zij van haar kinderen krijgt en het positieve effect daarvan op haar gezondheid en het feit dat zij in Suriname geen kinderen heeft wonen op wie zij zou kunnen terugvallen, heeft meegewogen in zijn oordeel. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is, waarbij op verschillende onderdelen ook een verkeerd toetsingskader is gehanteerd.
10.3.
Het beroep is daardoor gegrond.
10.4.
De rechtbank ziet in het kader van finale geschilbeslechting en vanwege het tijdsverloop sinds de aanvraag van 29 juli 2022 aanleiding om de beoordeling van het bestaan van een beschermenswaardig gezinsleven zelf te toetsen. Daarbij is van belang of het geheel aan elementen samen beoordeeld, tot de conclusie moet leiden dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Ook van belang is dat de rechtbank verweerders beoordeling vol moet toetsen, nu het hier gaat om de vaststelling of sprake is van beschermenswaardig familieleven, een vraag die feitelijk van aard is.15 Het is namelijk vaste rechtspraak van het EHRM dat de beantwoording van deze vraag vol wordt getoetst.16 Dit laat onverlet dat verweerder bij het maken van de daaropvolgende belangenafweging wel beoordelingsvrijheid heeft. Deze belangenafweging dient de rechter enigszins terughoudend te toetsen.
15 Zie uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9656.
16 Zie bijvoorbeeld overweging 150 in de zaak K. en T. tegen Finland (arrest van 12 juli 2001, nr. 25702/94): “In these circumstances, the Court cannot but find that at the time when the authorities intervened there existed between the applicants an actual family life within the meaning of Article 8 § 1 of the Convention, which extended to both children, M. and J.”
Vaststellen beschermenswaardig familieleven
11. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiseres en haar kinderen lang van elkaar gescheiden hebben geleefd en dat samenwoning een van de elementen is die een rol spelen bij de beoordeling of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Eiseres woont echter sinds februari 2022 met en bij haar kinderen, waaronder referent. Dit is een omstandigheid die relevant is voor de onderlinge band. Des te meer nu eiseres, vanwege haar slechte gezondheidssituatie, volledig afhankelijk is van de zorg en begeleiding van referent en haar andere kinderen. De rechtbank overweegt dat de situatie van eiseres in die zin verschilt van gevallen waarin betrokkenen lang van elkaar gescheiden hebben geleefd en doorgaans ook niet meer gaan samenwonen. De rechtbank heeft aldus geen aanleiding om eraan te twijfelen dat tussen eiseres en referent en haar andere kinderen door de samenwoning sinds februari 2022 een sterkere familieband is ontstaan dan doorgaans het geval is tussen een ouder en haar meerderjarige kinderen.
11.1.
Wat betreft de financiële afhankelijkheid is niet in geschil dat eiseres tot 2016 financieel ondersteund werd door haar jongste zoon. Ook is niet betwist dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat eiseres, toen zij nog in Suriname woonde, in ieder geval sinds 2021 financieel werd ondersteund door haar kinderen. Verder wordt ook niet betwist dat sinds eiseres in Nederland woont bij referent en haar andere kinderen, zij van hen volledig financieel afhankelijk is voor haar levensonderhoud. De rechtbank heeft voorts geen reden te twijfelen aan het door eiseres gestelde dat zij sinds 2016, het jaar waarin haar jongste zoon is overleden, financiële ondersteuning ontvangt van haar in Nederland wonende kinderen. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft de zoon van eiseres namelijk toegelicht dat zijn overleden broertje tot diens overlijden voor eiseres zorgde, ook financieel, en dat de andere kinderen het daarna hebben overgenomen. Dat referent over de periode 2016 – 2022 geen bonnetjes kan overleggen, kan niet in het nadeel van eiseres wegen nu het bedrijf dat voor die overboekingen zorgde failliet is gegaan, waardoor veel administratie verloren is gegaan. Hieruit volgt dat eiseres sinds 2016 volledig financieel afhankelijk is van haar kinderen. Doorgaans zijn ouders in Nederland niet volledig financieel afhankelijk van hun kinderen.
11.2.
Over de medische omstandigheden van eiseres overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat eiseres een hoge leeftijd heeft en dat zij aan meerdere ernstige ziektes lijdt. Dat eiseres afhankelijk is van mantelzorg door haar kinderen is ook niet betwist door verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat zij zorg en begeleiding nodig heeft bij haar algemene dagelijks levensverrichtingen. Uit de overgelegde verklaring van de internist-hematoloog blijkt onder meer dat de zelfredzaamheid van eiseres om medische redenen zeer beperkt is. Op de zitting heeft de zoon van eiseres toegelicht dat eiseres volledig afhankelijk is van de zorg van haar kinderen, niet in staat is om zelfstandig meer dan 6 meter te lopen en niet in staat is – vanwege vergeetachtigheid – om zelf op tijd haar medicijnen in te nemen. Deze vorm van zorg en praktische afhankelijkheid van eiseres naar haar kinderen stijgt uit boven het gebruikelijke tussen ouders en meerderjarige kinderen. Als er sprake is van mantelzorg van een meerderjarig kind naar haar/zijn ouder, dan wordt deze doorgaans immers niet 24/7 gegeven.
11.3.
Over de emotionele afhankelijkheid overweegt de rechtbank als volgt. Volgens verweerder is het begrijpelijk dat de kinderen na het overlijden van hun vader de
verantwoordelijkheid op zich hebben genomen om eiseres in Nederland op te vangen en te verzorgen.
Conclusie
13. Zoals hiervoor is overwogen, is het bestreden besluit op meerdere punten genomen in strijd met het motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. In het kader van finale geschilbeslechting heeft de rechtbank het gebrek, wat betreft de vraag of er tussen eiseres en haar kinderen sprake is van beschermingswaardig gezins- en familieleven, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, hersteld. De rechtbank is van oordeel dat er tussen eiseres en haar kinderen sprake is van een
17 Die naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006, is gemaakt.
meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en daardoor beschermingswaardig familieleven, als bedoeld in artikel 8 EVRM.
13.1.
Het door de rechtbank geconstateerd gebrek in de belangenafweging heeft de rechtbank niet hersteld. De rechtbank is van oordeel dat het vooralsnog eerst aan verweerder is om dit gebrek te herstellen. Het is immers voor het eerst dat verweerder een belangenafweging zal maken tegen het licht dat er sprake is van beschermingswaardig familieleven. Verweerder dient binnen een termijn van acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
13.2.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen noodzaak tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.
13.3.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- bij een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL23.37325:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 23 november 2023;
- stelt vast dat er sprake is van beschermingswaardig gezins- en familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en haar kinderen;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw een belangenafweging te maken en een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL23.37330:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Smayel, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.