Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-06
ECLI:NL:RBDHA:2025:1770
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
2,471 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50711
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster]
, V-nummer: [V-nummer] , verzoekster
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Inleiding
1. Met het besluit van 9 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ambtshalve afgewezen en verzoekster geen uitstel van vertrek verleend.
1.1.
Verzoeker heeft tegen dit besluit op 18 december 2024 bezwaar gemaakt. Zij heeft op dezelfde datum de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De minister heeft op 31 december 2024 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Beoordeling
Over het griffierecht
2. Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van het verschuldigde griffierecht. Zij heeft voldoende aangetoond dat zij voldoet aan de voorwaarden voor deze vrijstelling. De voorzieningenrechter verleent verzoekster daarom vrijstelling.
Over het verzoek om een voorlopige voorziening
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit
oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In dat kader moet getoetst worden of de gevraagde voorziening toegewezen moet worden omdat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
5. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. Omdat uit het bericht van 28 december 2024 blijkt dat de opvang van verzoekster door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) op 8 januari 2025 zal worden beëindigd, maakt de voorzieningenrechter van deze bevoegdheid gebruik.
6. Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1963 en heeft de Iraakse nationaliteit. Zij heeft eerder, op 9 maart 2022, een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze asielaanvraag met het besluit van 19 juli 2024 als ongegrond afgewezen. Daarbij heeft de minister verzoekster voorlopig uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw.
7. Met het bestreden besluit heeft de minister de toepassing van artikel 64 van de Vw ambtshalve afgewezen. Daar legt de minister - kort gezegd - aan ten grondslag dat uit het BMA-advies van 25 oktober 2024 blijkt dat verzoekster in staat is om te reizen en dat de noodzakelijke medische behandeling in zowel Noord-Irak als Turkije aanwezig is.
8. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en te bepalen dat zij de beslissing op het bezwaar in Nederland mag afwachten. Het verzoek strekt er ook toe dat verzoekster wil worden aangemerkt alsof op haar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw van toepassing is, zodat zij recht op opvang blijft behouden.
9. Verzoekster voert allereerst aan dat niet duidelijk is waarom de BMA-arts verwacht dat zij kan reizen, of de medicatie kan worden gecontinueerd tijdens de reis en of het reizen invloed heeft op bijwerkingen. Volgens verzoekster heeft de minister niet voldaan aan zijn vergewisplicht, als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 oktober 20101. Ook mag verzoekster niet verantwoordelijk worden gehouden voor de overdracht van haar medische gegevens, gelet op haar fysieke en mentale toestand.
9.1.
De voorzieningenrechter volgt verzoekster hierin niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het BMA-advies inzichtelijk en concludent is. Ook heeft de minister er in het verweerschrift terecht op gewezen dat uit het Protocol Bureau Medische Advisering, versie 2023, niet volgt dat de punten die verzoekster noemt in het advies hadden moeten worden opgenomen. Verzoekster heeft dit ook niet onderbouwd. Dat geldt ook voor het betoog van verzoekster dat zij, gelet op haar fysieke en mentale toestand, niet in staat is om haar medische gegevens over te dragen (bijvoorbeeld door een ingevuld Europees Medisch Paspoort mee te nemen).
1. ECLI:NL:RVS:2010:BO0794.
10. Verzoekster betwist verder dat er voldoende behandelmogelijkheden zijn om een medische noodsituatie binnen de indicatieve termijn te voorkomen. Zij voert aan dat het vreemd is dat de minister kijkt naar twee landen (zowel Irak als Turkije). Verzoekster wijst erop dat zij haar hele leven in Irak heeft gewoond en geen netwerk heeft in Turkije. Er mag daarom niet van haar worden verwacht dat zij zich vestigt in Turkije en ook niet dat zij heen en weer reist tussen de twee landen om de nodige zorg te krijgen. Verzoekster stelt ook dat zij feitelijk geen toegang zal hebben tot de nodige zorg. Zij heeft namelijk onvoldoende financiële middelen en het is 3 uur rijden van haar voormalige woonplaats [plaats 1] naar [plaats 2] . Ook blijkt volgens verzoekster uit het Algemeen ambtsbericht Irak van november 2023, het reisadvies voor Irak2 en de aanwezigheid van Artsen zonder Grenzen en Cordaid in Irak, dat de gezondheidszorg daar beperkt is.
10.1.
De voorzieningenrechter volgt verzoekster hierin niet. De minister heeft toegelicht dat naar twee landen is gekeken, omdat uit EU-Vis blijkt dat verzoekster eerder een Zweeds visum had op basis van een authentiek Turks paspoort, en zij die gegevens niet heeft weerlegd. De voorzieningenrechter kan dit volgen. Verder blijkt uit het BMA-advies dat in beide landen de noodzakelijke medische zorg aanwezig is: verzoekster hoeft dus niet heen en weer te reizen en hoeft zich ook niet te vestigen in Turkije. Verder heeft verzoekster haar stelling dat zij onvoldoende financiële middelen heeft niet nader onderbouwd. Ook de stelling dat het 3 uur rijden is van haar voormalige woonplaats naar het ziekenhuis in [plaats 2] , is onvoldoende om aan te nemen dat de zorg voor verzoekster niet toegankelijk is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de overgelegde stukken niet leiden tot een ander oordeel, omdat daaruit niet blijkt dat de gezondheidszorg die specifiek in het BMA-advies wordt genoemd voor verzoekster onvoldoende of niet toegankelijk zal zijn.
11. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat verzoekster niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Verzoekster behoort dus niet tot één van de in artikel 3, derde lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva) genoemde categorieën asielzoekers die recht hebben op opvang in een opvangvoorziening. Geen van de in artikel 3, derde lid en onder f, g en h, van de Rva genoemde situaties zijn in het geval van verzoekster aan de orde.
12. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 22 maart 20183, volgt dat de minister dan in beginsel niet gehouden kan worden tot het verlenen van opvang in de situaties die niet zijn voorzien in de Rva. Dit is alleen anders als sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van een acute medische noodsituatie die aansluit bij de omstandigheden vermeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, g en n, van de Rva en daarom direct gerelateerd is aan de aan het COA uitdrukkelijk toegekende bevoegdheid. Het COA kan dus onder zeer bijzondere omstandigheden besluiten om de verstrekkingen, hoewel daarop geen aanspraak bestaat, voort te zetten. Het is aan verzoekster om aannemelijk te maken dat van zulke bijzondere omstandigheden sprake is.
2 [internetsite]
3 ECLI:NL:RVS:2018:1015.
13.
Conclusie
15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 januari 2025
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.