Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:17698
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,444 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.13873
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. K. Kanters).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van Zijn opvolgende asielaanvraag.
1.1.
Eiser stelt dat hij de Ugandese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1984]. Hij heeft op 10 januari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van
18 maart 2025 (het bestreden besluit) in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Koç als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Eerdere asielaanvragen
4. Eiser heeft aan zijn eerste asielaanvraag van 16 maart 2017 ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 28 juli 2017 afgewezen als ongegrond. Dit besluit staat in rechte vast met de uitspraak van deze
rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 13 december 20171 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 januari 20182. Eiser heeft een opvolgende asielaanvraag ingediend op 22 april 2021, waaraan hij opnieuw ten grondslag heeft gelegd dat hij homoseksueel is. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 10 februari 2022 afgewezen als kennelijk ongegrond. Dit besluit staat in rechte vast met de uitspraak van deze rechtbank van 28 april 20223.
Huidige asielaanvraag
5. Eiser legt aan huidige asielaanvraag opnieuw ten grondslag dat hij homoseksueel is, en daarom niet kan terugkeren naar Uganda. Eiser verklaart dat hij een (tweede) opvolgende aanvraag heeft ingediend, omdat hij is gegroeid in zijn bewustzijn aangaande zijn homoseksuele gerichtheid en meer in staat is om zijn gevoelens en emoties daaromtrent uit te drukken. Ook voert eiser aan dat hij nu een relatie heeft met [A].
Het bestreden besluit
6. De minister acht de homoseksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister merkt daarover op dat de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele gerichtheid nog altijd summier zijn. Verder heeft de brief van de gestelde partner van eiser volgens de minister een gelimiteerde bewijswaarde, omdat het een brief van een (niet-onafhankelijke) derde betreft die op verzoek van eiser is opgesteld. Ook het verslag van een vrijwilliger van Artikel 1 heeft volgens de minister geen objectieve bewijskracht, omdat het louter een weergave is van eisers eigen relaas zonder ondersteuning door bewijsstukken of externe verificatie. Verder acht de minister de enkele verwijzing naar het rapport van mr. [B] “Trots of schaamte? - het vervolg” van maart 2022 onvoldoende om tot een ander inzicht te komen over de geloofwaardigheid van eisers homoseksuele gerichtheid. Ook de foto’s met bijschriften (van aanwezigheid bij activiteiten) acht de minister onvoldoende, omdat eiser daarmee geen inzicht geeft in zijn persoonlijke beleving van zijn homoseksuele gerichtheid. De minister merkt ook op dat veel van deze foto’s met bijschriften in de vorige procedure al zijn beoordeeld. De minister concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.
De geloofwaardigheid van de homoseksuele gerichtheid
7. Eiser voert aan dat hij een beperkt cognitief vermogen heeft, waardoor hij minder goed kan verklaren. Dat is niet aangegeven op het M35-O formulier, omdat de gemachtigde van eiser het niet ziet als medische aandoening, en het is ook begrijpelijk dat eiser dit zelf niet in het gehoor heeft genoemd. Volgens eiser zegt het feit dat hij in het gehoor in de gelegenheid is gesteld om concreet te verklaren niets over het daadwerkelijk daartoe in staat zijn. Bovendien stelt eiser dat hij wel degelijk heeft verklaard over een groei die hij heeft doorgemaakt en dat uit zijn verklaringen ook een groot bewustzijn van zijn seksuele identiteit blijkt. Ook heeft hij zeer uitvoerig verklaard over de relatie met zijn partner. Eiser wijst op verschillende passages in het gehoor. Volgens eiser heeft de minister – gelet op zijn
1. NL17.6167 (niet gepubliceerd).
2 201800186/2/ V2 (niet gepubliceerd).
3 ECLI:NL:RBDHA:2022:8694.
uitgebreide verklaringen over zijn partner – ook onvoldoende waarde toegekend aan de verklaring van zijn partner. Wat betreft het verslag van de vrijwilliger van Artikel 1 en de foto’s verwijst eiser naar wat hij daarover in de zienswijze heeft aangevoerd.
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij beperkt is in zijn vermogen om te verklaren. Eiser heeft dit namelijk niet met (medische) documenten onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. De minister mocht daarom aan eiser tegenwerpen dat hij summier heeft verklaard over zijn homoseksuele gerichtheid. De rechtbank kan de minister volgen dat eiser met zijn verklaringen onvoldoende inzicht heeft gegeven in wat er in de periode vanaf zijn vorige aanvraag is gebeurd en wat maakt dat hij nog meer vertrouwen heeft en nog beter kan verklaren over zijn homoseksuele gerichtheid. Zo antwoordt eiser op de vraag wat er sinds zijn vorige asielprocedure concreet is veranderd: “Ik ben vrij met mijn partner. Ik heb een goede relatie met mijn partner. Mijn partner maakt zich zorgen over mijn situatie omdat ik geen verblijfsvergunning heb. Bijvoorbeeld als ik ergens met hem naar toe wil, wat niet mocht. Er was bijvoorbeeld een event, een Afrikaans festival, gepland in Portugal, maar ik kon niet met hem mee gaan omdat ik geen verblijfsvergunning heb en dat stoort hem.” (p. 6) Over wat er concreet is veranderd ten aanzien van de acceptatie van zijn geaardheid verklaart eiser: “Omdat ik mij nu vrij voel. Ik voel mij vrij om met mijn partner te zijn, om hem publiekelijk te kunnen kussen, om hand in hand met hem te lopen. Dus naar verschillende gelegenheden gaan wij samen als geliefden. Wij gaan ook samen naar het strand. Die angst van de twijfels zijn nutteloos.” (p. 9) De minister heeft terecht opgemerkt dat deze verklaringen summier zijn en/of niet wezenlijk anders dan in de vorige procedure. Wat betreft de verklaringen van eiser over zijn partner heeft de minister op de zitting toegelicht dat deze weliswaar enigszins uitgebreid zijn, maar dat eiser in zijn antwoorden toch blijft steken in algemeenheden. Eiser geeft met zijn verklaringen onvoldoende inzicht in zijn gedachten en gevoelens. De rechtbank kan dit standpunt van de minister volgen. Wat betreft de brief van de gestelde partner van eiser heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat hier slechts gelimiteerde bewijswaarde aan toekomt. De minister heeft er terecht op gewezen dat de brief niet door een onafhankelijk orgaan of deskundige, en op verzoek van eiser is opgesteld. De rechtbank merkt ook op dat de inhoud van de brief summier is. Verder heeft eiser in beroep niet uitgelegd waarom de beoordeling van het verslag van de vrijwilliger en de foto’s in het bestreden besluit niet juist is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze documenten niet ten onrechte onvoldoende geacht om de homoseksuele gerichtheid van eiser alsnog geloofwaardig te achten. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 juni 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.