Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:17689
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,707 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/691006 / FA RK 25-6651
Datum beschikking: 17 september 2025
Opvolgende rechterlijke machtiging
Beschikking naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een opvolgende machtiging voor de duur van twee jaar als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[naam 1] ,
hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1950 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie [instelling] ,
advocaat: mr. E.A.E.G.J Libosan te Den Haag.
Procesverloop
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 24 februari 2025;
- de aanvraag voor een opvolgende machtiging aan het CIZ van 24 juli 2025;
- de op 13 augustus 2025 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, [naam 2] , die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij zijn behandeling betrokken was;
- het zorgplan van 15 augustus 2025.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 september 2025. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door zijn advocaat;
- de basisarts, [naam 3] ;
- de zorgverlener, [naam 4] ;
- de echtgenote van cliënt.
Standpunten ter zitting
Door cliënt is naar voren gebracht dat hij wel in de accommodatie zou willen blijven. Hij wil graag weten waar hij aan toe is. De advocaat heeft een lang voorgesprek gehad waarin cliënt aangaf tevreden te zijn en het naar zijn zin te hebben in de accommodatie. Wel heeft hij daarin een aarzeling waargenomen. De advocaat vraagt namens cliënt om afwijzing of aanhouding van het verzoek. Het is onduidelijk of er om een machtiging voor de duur van zes maanden of twee jaar wordt verzocht. Er wordt ook melding gemaakt van een artikel 21 procedure. De medische verklaring roept vragen op en daarom is de advocaat van mening dat de rechtbank geen beslissing over het verzoek kan nemen. Subsidiair verzoekt de advocaat om het verzoek voor een periode van zes maanden toe te wijzen.
De arts heeft naar voren gebracht dat cliënt inmiddels een jaar in de accommodatie woont vanwege uitgebreide cognitieve stoornissen. Cliënt is over het algemeen tevreden en dit is bij navraag bevestigd door collega-artsen. Het afgelopen half jaar is cliënt op zoek naar uitgangen met het idee dat hij naar huis gaat. Omdat het onbekend is of dit loopdrang is of dwalen passend bij dementie, is het moeilijk te beoordelen of er daadwerkelijk sprake is van verzet en of een artikel 21-procedure passender is, of toch een rechtelijke machtiging. Omdat cliënt sinds kort weer regelmatig op zoek gaat naar de uitgang acht de arts een rechterlijke machtiging op dit moment passender.
De zorgverlener heeft naar voren gebracht dat cliënt aangeeft dat hij in de accommodatie tevreden is. Toch is volgens de zorgverlener een rechterlijke machtiging op zijn plaats omdat cliënt via de leveranciersuitgang naar buiten gaat. Hij drukt actief een code in en soms moet hij dan van straat gehaald worden. Zijn ziektebeeld is progressief.
De echtgenote van cliënt heeft medegedeeld dat haar voorkeur uitgaat naar een rechterlijke machtiging omdat een artikel 21 procedure niet mogelijk is vanwege het verzet van haar man. Hij is een keer weggelopen en bij het sportpark aangetroffen.
Beoordeling
Op 7 oktober 2024 is door de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie verleend tot en met 7 oktober 2025.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten uitgebreide neurocognitieve stoornissen bij dementie.
Deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel bestaat uit:
– ernstig lichamelijk letsel;
– ernstige psychische schade;
– maatschappelijke teloorgang;
– de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
De rechtbank leidt uit de stukken af dat er bij cliënt vanuit de dementie sprake is van oriëntatie-stoornissen in plaats en tijd en het onjuist inschatten van situaties zoals de verkeersveiligheid. Ook is er sprake van een verhoogd valrisico. Door de desoriëntatie in plaats en tijd, is er daarnaast kans op verdwalen.
De voortzetting van het verblijf in een accommodatie is noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de voortzetting van het verblijf in een accommodatie.
Hij is regelmatig op zoek naar uitgangen met het idee om naar huis te gaan. Hij is meermalen uit de accommodatie weggelopen en op straat aangetroffen. Hij drukt daarbij codes in en verlaat het pand via de leveranciersuitgang.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een opvolgende machtiging tot voortzetting van het verblijf in een accommodatie als bedoeld in de Wzd.
De rechtbank is van oordeel dat een verzoek als dit, dat aanzienlijke impact heeft op iemands leven en dat langdurig kan voortduren, met verstrekkende en vaak ingrijpende gevolgen, goed gemotiveerd dient te worden. Dit geldt ook voor de verzochte duur daarvan. Op de zitting is duidelijk geworden dat er tot kort voor de zitting onduidelijkheid was over (de interpretatie van) het verzet van cliënt en dat er om die reden lang is getwijfeld of een rechterlijke machtiging wel nodig was. Ook is het verzoek niet ondubbelzinnig ten aanzien van de duur daarvan. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de machtiging voor een kortere periode toe te wijzen dan verzocht, namelijk voor de duur van zes maanden.
Dictum
De rechtbank:
verleent een opvolgende machtiging tot voortzetting van het verblijf in een accommodatie ten aanzien van:
[naam 1] ,
geboren op [geboortedatum] 1950 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 17 maart 2026;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.T.W. van Ravenstein, rechter, bijgestaan door I. de Vroom als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 september 2025.