Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:17650
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,742 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/7184
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , geboren op [geboortedag] 1947, Surinaamse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. S.A. Adjiembaks),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder, hierna: de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’ (hierna: referent).
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 15 februari 2023 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van
22 maart 2024 is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en referent. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van eiseres, de beroepsgronden.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiseres woont in Suriname. Haar zoon, referent, heeft op 10 maart 2022 een aanvraag voor een mvv ingediend voor zijn moeder, eiseres. De minister heeft de aanvraag van eiseres met het primaire besluit afgewezen, omdat tussen eiseres en referent geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. Om die reden bestaat er tussen eiseres en referent geen familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De door de minister uitgevoerde belangenafweging is in het nadeel van eiseres uitgevallen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld. Gedurende de bezwaarfase heeft eiseres expliciet gevraagd om gehoord te worden. Haar gemachtigde heeft meermalen contact gezocht met de minister en gevraagd om een hoorzitting ter toelichting van de feiten en omstandigheden van de aanvraag. Op 10 januari 2024 heeft eiseres een ingebrekestelling verstuurd. Op
8 maart 2024 heeft de gemachtigde van eiseres wederom contact gezocht met de minister en een terugbelverzoek achtergelaten. Vervolgens is zij teruggebeld door de zaaksbehandelaar met de boodschap dat een week later weer contact met haar zou worden opgenomen. Tijdens dit telefoongesprek heeft de gemachtigde van eiseres nogmaals benadrukt dat eiseres het bezwaar wenst toe te lichten tijdens een hoorzitting. De gemachtigde is niet meer teruggebeld. Met het bestreden besluit van 22 maart 2024 heeft de minister het bezwaar van eiseres als kennelijk ongegrond afgewezen. Omdat over die conclusie volgens de minister geen twijfel bestaat, is eiseres niet gehoord.
Wat is het juridisch kader?
5. Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie; er moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Uit de rechtspraak volgt ook dat de vraag of sprake is van beschermd gezinsleven van feitelijke aard is, en afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte, persoonlijke banden. Hierbij kan onder meer relevant zijn: de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
Heeft de minister de hoorplicht geschonden?
6.1.
De minister mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat gebeurt alleen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. De beslissing om die bepaling toe te passen wordt genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd en de overwegingen in het primaire besluit.
6.2.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 juli 2022 ook geoordeeld dat de minister vreemdelingen vaker zal moeten horen als zij bezwaar maken tegen een besluit. Dit uitgangspunt geldt met name in zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt. Wanneer er onduidelijkheid bestaat over het feitencomplex of niet alle relevante informatie is overgelegd door de vreemdeling, komt bijzonder belang toe aan het uitganspunt dat een vreemdeling wordt gehoord. Een gehoor is daarom het uitgelezen moment voor de minister om een vreemdeling te confronteren met ontbrekende informatie die nodig is voor de beoordeling.
6.3.
De rechtbank is met eiseres van oordeel dat sprake is van een schending van de hoorplicht. Dit betekent dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door eiseres niet te horen.
6.4.
Uit rechtsoverweging 6.2. volgt dat het horen van een vreemdeling kan worden ingezet om opheldering te scheppen over het feitencomplex. De rechtbank overweegt hierover dat eiseres het bestreden besluit in bezwaar gemotiveerd heeft betwist. Eiseres voert aan dat referent in het land van herkomst altijd met eiseres in familieband heeft samengeleefd. Eiseres wijst op de hechte banden tussen haar en referent en waaruit deze nog altijd bestaan. Ook wijst eiseres op haar gezondheidstoestand die geleidelijk aan is verslechterd. Volgens eiseres is bovendien niet alleen sprake van financiële afhankelijkheid maar ook van praktische afhankelijkheid. Met betrekking tot de banden met Suriname wijst eiseres op het feit dat zij is geboren als Nederlandse. Zij heeft in de jaren ’80 ook tijdelijk in Nederland gewoond en beschikt over een multiple-entry visum voor Nederland. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat zij contact heeft met de Gemeente Amsterdam om informatie te achterhalen over haar eerdere inschrijving in Nederland. Zoals onder 4 is weergegeven heeft eiseres meermalen expliciet verzocht om een hoorzitting om haar bezwaar nader toe te lichten.
6.5.
Omdat de vraag of er sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM een vraag is van feitelijke aard en het gaat om het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden, zal de minister een op het specifieke geval toegespitste beoordeling moeten maken van alle door eiseres aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De rechtbank stelt echter vast dat de minister in het bestreden besluit in het geheel niet is ingegaan op aspecten als financiële en emotionele afhankelijkheid. Eiseres heeft hierover het nodige aangevoerd en verkeerde overduidelijk in de veronderstelling dat er nog een hoorzitting zou plaatsvinden. Daar komt bij dat er kennelijk onduidelijkheid over bepaalde feiten bestaat (het wel of niet verblijven in Nederland). In het bestreden besluit staat hierover dat eiseres nimmer heeft gewerkt in Nederland noch dat is aangetoond aan de hand van bewijsstukken dat zij hier gewoond heeft of een vergunning heeft gehad. Op de zitting heeft referent nogmaals gewezen op de praktische afhankelijkheid. Onder al deze omstandigheden heeft de minister niet kunnen afzien van het horen van eiseres en referent. Zij kunnen immers bij uitstek verklaren over hun emotionele band, over de financiële afhankelijkheid en over de gestelde zorg die eiseres nodig heeft en waaruit de door referent geleverde zorg bestaat of heeft bestaan. Ook kan eiseres haar gestelde banden met Nederland en Suriname nader toelichten. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De minister moet daarom het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 22 maart 2024;
- draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Verdrag betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Zie bijvoorbeeld het arrest van 2 september 2020 in de zaak Azerkane, ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816.
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 4.