Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:17635
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,005 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38680
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Latul)
Inleiding
1. Bij besluit van 15 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 10 september 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
2. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel van uit worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Op basis van een melding dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken (‘mob-melding’) mag het beroep dus in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt in beginsel aangenomen dat hij nog wel prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
3. Verweerder heeft op 1 september 2025 een systeemuitdraai overgelegd, waaruit blijkt dat eiser op 19 augustus 2025 door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) is geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vertrokken’. De rechtbank heeft op
2 september 2025 aan de gemachtigde van eiser verzocht om aan te geven of de gemachtigde nog contact onderhoudt met eiser. Daarop heeft de gemachtigde van eiser op 4 september 2025 aangegeven dat hij eiser niet meer heeft gesproken of gezien, maar dat er een kans is dat eiser zich voor de zitting nog zal melden bij gemachtigde. Ook heeft eisers gemachtigde aangegeven niet op zitting te verschijnen. Op 10 augustus 2025 is de zaak op zitting behandeld, eiser is niet verschenen.
4. Gezien het feit dat de gemachtigde geen contact meer onderhoudt met eiser en eiser niet ter zitting is verschenen, neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 15 augustus 2025.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.