Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-01
ECLI:NL:RBDHA:2025:17604
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,929 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 23/14446 (beroep) en AWB 23/14447 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van IJzendoorn).
Procesverloop
Bij besluit van 28 september 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 2 februari 2021 om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen.
Bij besluit van 21 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiseres heeft ook gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van verweerder en de gemachtigde van eiser deelgenomen. Eiser is niet verschenen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1983 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor afgifte van een document waaruit blijkt dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez, voor verblijf bij zijn minderjarige Nederlandse kind, [kind] , geboren op [geboortedag] 2019.
2. Bij besluit van 23 mei 2022 is het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft op 12 juni 2022 beroep hiertegen ingesteld. Op 16 december 2022 heeft deze rechtbank en zittingsplaats, het beroep van eiser gegrond verklaard en verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen, nu hij had moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Op 6 januari 2023 heeft verweerder hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank bij de Afdeling. Het hoger beroep is op 27 juli 2023 door verweerder ingetrokken.
3. Eiser is vervolgens op 29 augustus 2023 uitgenodigd om zijn bezwaar mondeling toe te lichten op een hoorzitting op 13 oktober 2023. Bij schrijven van 11 oktober 2023 heeft eiser laten weten af te zien van het horen.
4. Verweerder heeft zich, kort samengevat, in het bestreden besluit van 21 november 2023 op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht en dat er geen zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat zijn kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan hem een verblijfsrecht wordt geweigerd. Verweerder heeft daarnaast geconcludeerd dat het besluit om eiser geen verblijfsrecht toe te kennen niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
5. Eiser voert aan dat hij wel degelijk zorgtaken verricht die een marginaal karakter overstijgen en dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom niet zou zijn gebleken van een afhankelijkheidsverhouding tussen hem en zijn kind, zoals bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez. Eiser stelt dat hij gelet op de stukken, waaronder een groot aantal foto’s die zijn overgelegd, en de motivering van de aanvraag, voldoet aan de voorwaarden zoals die worden gesteld voor de toekenning van verblijf als derdelander die ouder is van een minderjarig Nederlands kind. Er bestaat volgens eiser namelijk een grote hechting tussen hem en zijn kind. Het kind is volgens eiser totaal afhankelijk van hem omdat hij de volledige zorgtaken verricht voor het kind. Eiser voert met betrekking tot de afhankelijkheidsverhouding tussen hem en zijn minderjarig kind verder aan dat verweerder in het bestreden besluit in strijd heeft gehandeld met het hogere belang van het kind, zoals is gesteld in artikel 24, tweede lid, van het Handvest. Eiser stelt dat alle relevante omstandigheden, waaronder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling en de mate van zijn affectieve en intense relatie met eiser onvoldoende zijn meegewogen. Er is volgens eiser dan ook een groot risico dat het evenwicht van zijn kind zal worden verstoord indien hij zou worden gescheiden van zijn kind.
Beoordeling
6. De rechtbank overweegt dat verweerder zicht terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers beroep op het arrest Chavez-Vlichez niet slaagt en dat eiser er niet in is geslaagd om aan te tonen dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken voor zijn zoon verricht. Verweerder wordt verder in zijn standpunt gevolgd dat niet kan worden gesteld dat eisers zoon zo afhankelijk is van hem dat hij gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als het gevraagde verblijfsdocument niet wordt verstrekt aan eiser. Verweerder heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat eiser sinds september 2021 geen aanvullende informatie heeft verstrekt met betrekking tot de omgang met zijn zoon, en daarmee niet heeft aangetoond dat er na 2021 nog omgang heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft ook kunnen betrekken dat eiser is uitgenodigd voor een hoorzitting om de zorg- en opvoedingstaken en de afhankelijkheidsverhouding tussen hem en zijn zoon verder te onderzoeken, maar dat eiser heeft laten weten af te zullen zien van het horen.
7. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in het bestreden besluit een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM, met betrekking tot het gezinsleven tussen eiser en zijn zoon, heeft laten plaatsvinden. Eiser heeft deze belangenafweging niet bestreden.
8. Het beroep is ongegrond. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep, is er geen reden
om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2025 door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.
de griffier
de rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Europese Unie.
Europese Economische Ruimte.
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
Zaaknummers: AWB 22/3488 en AWB 22/3613 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.