Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:17583
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,695 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.43530 (beroep)
NL24.43531 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1983, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. F. Kiliç-Arslan),
en
de minister van Asiel en Migratie,
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. G.L. Wischhoff).
Procesverloop
Bij besluit van 21 mei 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 oktober 2024 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Eiser heeft op 5 november 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft op diezelfde datum de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
Het onderzoek ter zitting heeft op 4 maart 2025 plaatsgevonden. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook was namens eiser aanwezig mevrouw [referente] (referente), de heer J.E. Hynd als tolk in de taal Engels. Namens de minister was mevrouw G.L. Wischhoff aanwezig.
Overwegingen
Achtergrond
1. Eiser heeft op 28 september 2023 een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Hij wenst verblijf bij zijn gestelde partner, mevrouw [referente] , die in bezit is van zowel de Belgische als de Hongaarse nationaliteit.
Besluitvorming
2. Aan het bestreden besluit heeft de minister, voor zover nog relevant, ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat eiser en zijn partner een duurzame relatie hebben, omdat eiser niet heeft aangetoond ten minste zes maanden een gezamenlijke huishouding te hebben gevoerd en feitelijk te hebben samengewoond. De minister werpt aan eiser tegen dat hij ten tijde van het bestreden besluit niet stond ingeschreven in de BRP op het adres van referente en dat hij onvoldoende met stukken heeft aangetoond dat hij een duurzame relatie met referente heeft.
Beoordeling
Duurzame relatie
3. Eiser voert aan dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij niet staat ingeschreven in de BRP op het adres van referente. Eiser stelt dat hij zich ten tijde van het bestreden besluit niet heeft kunnen inschrijven op het adres van referente, omdat hij geen verblijfsvergunning had. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat hij zijn duurzame relatie met referente voldoende heeft onderbouwd en verwijst daarbij naar de door hem overgelegde stukken. Volgens eiser blijkt uit de richtsnoeren bij de Verblijfsrichtlijn dat het op de weg van de minister had gelegen om actief onderzoek te verrichten naar zijn relatie met referente door bijvoorbeeld op huisbezoek te gaan of een hoorzitting te houden. De enkele stelling van de minister dat de stukken ter onderbouwing van de duurzame relatie onvoldoende zijn, houdt volgens eiser geen stand.
3.1
Op grond van artikel 8.7, eerste en vierde lid van het Vb, in samenhang gelezen met paragraaf B10/2.2 van de Vc, neemt de minister het bestaan van een duurzame relatie aan wanneer de burger van de Unie en de ongehuwde partner voorafgaand aan het moment van de aanvraag of op het moment van beslissen, gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en gedurende die termijn feitelijk hebben samengewoond.
3.2
Ter onderbouwing van de duurzame relatie met referente heeft eiser de volgende documenten overgelegd:
een ingevulde en ondertekende “Bijlage Relatieverklaring partner EU-burger” en “Bijlage Vragenlijst voor verblijf bij partner”;
een toestemmingsverklaring voor inwoning van eiser van de verhuurder van referente;
één screenshot van een WhatsApp gesprek op 11 juli 2021;
vijf screenshots van belhistorie uit 2021, 2022 en 2023;
een foto van twee onherkenbare mensen die elkaar omhelzen;
een foto van eiser en referente bij de Johan Cruijff Arena;
een aantal foto’s waarop schoenen, kleding in twee kledingkasten en toiletartikelen in een badkamer zijn te zien.
In beroep heeft eiser nog foto’s waar hij samen met referente op is te zien en vier verklaringen van buren waarin staat dat eiser op het adres van referente woont, overgelegd.
3.3
De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser met de hierboven genoemde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van het bestreden besluit een deugdelijk bewezen duurzame relatie had met referente. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat onvoldoende is gebleken dat eiser gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding met referente voerde en gedurende die termijn feitelijk met haar samenwoonde. Dat eiser er abusievelijk vanuit ging dat hij zich niet kon inschrijven op het adres van referente in de BRP, maakt niet dat de minister dit niet aan eiser heeft mogen tegenwerpen. Anders dan eiser stelt, had de minister zich ook niet actiever hoeven inspannen door het afleggen van een huisbezoek of het houden van een hoorzitting. Het is aan eiser om het bestaan van een duurzame relatie deugdelijk te bewijzen. Dat heeft hij zoals hiervoor overwogen onvoldoende gedaan. De rechtbank merkt op dat de minister eiser in de aanvraagfase per brief de gelegenheid heeft geboden om zijn aanvraag aan te vullen en daarbij voorbeelden van bewijzen van samenwoning heeft genoemd. Alhoewel referente ter zitting heeft toegelicht alle bescheiden die in het aanvraagformulier worden genoemd, te hebben overgelegd, was eiser bekend met de aanvullende informatie die de minister nodig achtte voor het beoordelen van zijn gestelde duurzame relatie. Hoe begrijpelijk de wens van eiser om legaal verblijf te verkrijgen en arbeid te verrichten ook is, volgt de rechtbank de minister in het standpunt dat de duurzame relatie onvoldoende deugdelijk is bewezen.
Hoorplicht
4. Eiser stelt dat de hoorplicht is geschonden. Hij heeft de minister al geruime tijd willen overtuigen van zijn gestelde duurzame relatie en de minister had volgens hem geen reden om hieraan te blijven twijfelen. Volgens eiser heeft de minister daarom ten onrechte afgezien van horen in de bezwaarfase.
4.1
De rechtbank overweegt dat horen in bezwaar het uitgangspunt is. Daarvan kan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Awb worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Zoals hierboven is overwogen, was eiser duidelijk welke informatie de minister nodig achtte voor de beoordeling van de duurzame relatie in de aanvraagfase en heeft eiser deze stukken niet overgelegd. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister onder deze omstandigheden niet hoeft over te gaan tot horen in bezwaar om de vreemdeling nogmaals aan te sporen de benodigde stukken over te leggen. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaarschrift en heeft de minister daarom van horen kunnen afzien.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen verblijfsdocument EU/EER krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank, in de zaak NL24.43530:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL24.43531:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken:
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geen rechtsmiddel open.
Als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Zoals bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Basisregistratie Personen.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden.
Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, vanaf rechtsoverweging 5.
Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie hiervoor de uitspraken van de Afdeling van 21 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2047, onder rechtsoverweging 9, en van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder rechtsoverweging 5.2.