Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:17572
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
726 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32345
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoekster,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Bij besluit van 31 maart 2025 heeft de minister de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van verzoekster niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
1.2.
Bij uitspraak van 7 juli 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep, met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ongegrond verklaard.
1.3.
Verzoekster heeft tegen de uitspraak van 7 juli 2025 verzet ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het verzet, op 26 augustus 2025 op zitting behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De minister is met kennisgeving niet verschenen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het verzet. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1. De punt voor het verschijnen ter zitting is reeds toegekend in de bodemzaak). Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 907,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zaaknummer NL25.15040 V.