Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:17562
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,779 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7558
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] 2008 ,
van Beninse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H.A. Jeuring),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 25 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 januari 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk, de voogd van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
3. Met het bestreden besluit heeft de minister ook beslist dat eiser niet als vluchteling kan worden beschouwd. Eiser heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt
[naam] te heten, te zijn geboren op [geboortedatum] 2008, de Beninse nationaliteit te bezitten en tot de Zamra bevolkingsgroep behoren. Eiser was een koeienherder in Benin en is op een dag tijdens het hoeden van de koeien een aantal koeien kwijtgeraakt als gevolg van een ontploffing. Vervolgens is eiser gevlucht. Eiser heeft een auto aangehouden en deze mensen gaven aan dat Benin niet veilig was en hebben eiser meegenomen naar Niger. Bij terugkeer naar Benin vreest eiser dat hij door de mensen van wie hij de kudde hoedde te worden gedood. Een vriend van eiser is eerder namelijk doodgeschoten wegens het verlies van één koe.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. het verliezen van de koeien.
De minister gelooft zowel het eerste als het tweede asielmotief. De minister stelt echter dat eiser de vrees voor de mensen voor wie hij de koeien hoedde en is kwijtgeraakt, niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister overweegt in dit kader dat eiser nooit persoonlijk is bedreigd door de mensen van de koeien en dat eiser nooit persoonlijk problemen met hen heeft gehad. De stelling van eiser dat de mensen van de koeien bij zijn moeder langs zijn geweest wordt niet gevolgd omdat eiser dit pas heeft aangekaart nadat dit hem specifiek is gevraagd en omdat eiser niet weet wat ze hebben gezegd en of ze hem ook bedreigd hebben. De minister overweegt verder dat de verklaring van eiser over de dood van zijn vader wegens het verlies van een koe enkel speculatie betreft. Bovendien heeft het incident met de vader plaatsgevonden in Nigeria en niet in Benin. Ook heeft eiser de moord op zijn vriend als gevolg van het verliezen van één koe op geen enkele manier onderbouwd. Verder overweegt de minister dat de verklaringen van eiser impliceren dat het incident met de koeien niet de directe reden was voor eiser voor vertrek uit Benin, maar dat eiser heeft verlaten omdat de mensen die hem meenamen zeiden dat het niet veilig was in Benin vanwege een vermoedelijke terroristische aanslag die daarvoor had plaatsgevonden. Dit maakt de vrees nog minder aannemelijk, aldus de minister. Ook de stelling van eiser dat de mensen van de koeien hem overal kunnen vinden heeft hij niet onderbouwd. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag geen reden vormt om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Benin het risico loopt op ernstige schade vanwege het incident met de koeien. Verder heeft de minister overwogen dat eiser op dit moment niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfvergunning op basis van het buitenschuldbeleid voor amv’s. Op dit moment doet de minister nader onderzoek naar de adequate opvang in Benin. Zolang het onderzoek loopt heeft eiser rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000.
Zienswijze en overige naar voren gebrachte omstandigheden herhaald en ingelast
6. De rechtbank overweegt allereerst dat de stelling van eiser in beroep dat alles wat hij in deze procedure naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze en de andere door eiser naar voren gebrachte omstandigheden. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom het bestreden besluit niet juist of toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank verwijst hierbij naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser bij terugkeer naar Benin geen reëel risico loop op ernstige schade?
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Benin een reëel risico loopt op ernstige schade wegens het verlies van de koeien. Hiertoe voert eiser aan dat hem gelet op zijn persoon niet kan worden tegengeworpen dat hij in de zienswijze meer heeft verklaard over de bedreigingen aan het adres van zijn moeder dan tijdens het nader gehoor. Ook voert eiser aan dat het niet bevreemdend is dat hij nooit persoonlijk door de mensen van de koeien is bedreigd, omdat eiser al was gevlucht voordat zij erachter kwamen dat de koeien waren doodgeschoten. Verder benadrukt eiser dat de vrees om gedood te worden met name is terug te voeren op het incident waarbij zijn vriend om te leven is gebracht wegens het verlies van één koe. Verder voert eiser aan dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat de aanleiding van zijn vlucht uiteenloopt. Eiser meent dat de minister twee gebeurtenissen onjuist met elkaar heeft verweven. Duidelijk is dat eiser op de vlucht is geslagen omdat hij zijn koeien heeft verloren. Dat de mensen die hem in de auto mee hebben genomen vervolgens aangaven dat terroristen verantwoordelijk waren voor wat er allemaal is gebeurd, staat hier los van.
7.1.
De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser bij terugkeer naar Benin een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van het verliezen van de koeien. De minister heeft er terecht op gewezen dat niet is gebleken dat eiser ooit persoonlijk is bedreigd door de mensen van de koeien. Ook heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn moeder is bedreigd door de mensen van de koeien en dat zijn vriend door de mensen van de koeien is vermoord nadat hij één koe was verloren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser er wel terecht op gewezen dat de minister in het kader van de reden van vluchten twee gebeurtenissen met elkaar heeft verweven. Eiser heeft duidelijk verklaard dat de reden van zijn vlucht er enkel in was gelegen dat hij vreesde voor de mensen van de koeien. Dat de mensen die hem in de auto mee hebben genomen aangaven dat er vermoedelijk sprake was van een terroristische aanslag, maakt niet dat dit ineens de reden was voor eiser om Benin te verlaten. Desondanks is de rechtbank al met al van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege het verliezen van de koeien vreest om bij terugkeer naar Benin te worden vermoord door de mensen van de koeien. Eisers beroepsgrond kan dan ook niet slagen.
Leiden de door eiser overgelegde medische stukken tot een ander oordeel?
8. Eiser heeft in beroep twee medische stukken overgelegd. Hieruit volgt dat eiser is gediagnostiseerd met PTSS en een depressieve stoornis. Eiser staat daarvoor onder behandeling en slikt medicatie.
8.1.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat de door eiser overgelegde medische stukken het oordeel niet anders maken. Het reële risico op ernstige schade wegens het verlies van de koeien wordt hierdoor niet aannemelijk gemaakt. Ook bestaat er op dit moment geen aanleiding voor een (ambtshalve) beoordeling op grond van artikel 64 van de Vw 2000 omdat er nog geen terugkeerbesluit aan eiser is opgelegd. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister desgevraagd aangegeven dat het onderzoek naar adequate opvang in Benin nog loopt en dat daar zeer waarschijnlijk begin volgend jaar duidelijkheid over zal komen.
Conclusie
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000
Dit staat in paragraaf A3/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Zie de uitspraken van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2169) en 7 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1028).