Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:17506
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,118 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/225387-24
Datum uitspraak: 19 september 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 5 september 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Kooij en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. G.A.J. Purperhart naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 10 november 2023 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door met een vuurwapen (Glock, model 26 Gen5) te schieten en/of die [slachtoffer]- te schoppen, te slaan en/of vast te pakken en/of- te blinddoeken en/of- in een witte bestelbus (merk Opel, type Vivaro, kenteken [kenteken] ) te doen plaatsnemen en/of- in die bestelbus mee te voeren en/of- in een pand, gelegen aan de [straatnaam 1] te Rotterdam, vast te houden.
3De bewijsbeslissing
3.1.
Inleiding
Naar aanleiding van een schietincident op [straatnaam 2] in Den Haag, gevolgd door een wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is door de politie een strafrechtelijk onderzoek gestart, genaamd Rome. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek wordt de verdachte verweten strafrechtelijk betrokken te zijn geweest bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte - als pleger, dan wel als medepleger - betrokken is geweest bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] .
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
3.4.
Vrijspraak
De rechtbank komt tot het oordeel dat uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet volgt dat de verdachte, als pleger dan wel als medepleger, betrokken is geweest bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
Resultaten uit het strafrechtelijk onderzoek
[slachtoffer] heeft verklaard dat hij in de nacht van 10 november 2023 met een aantal vrienden op [straatnaam 2] te Den Haag aanwezig was en dat hij toen door een aantal mannen met geweld in een busje is geladen en ontvoerd. Daarbij heeft een van de mannen geschoten met een vuurwapen. In de directe omgeving van [straatnaam 2] heeft de politie een huls aangetroffen. Een aldaar geparkeerd voertuig is beschadigd geraakt door een kogelinslag en in het voertuig is ook een kogelpunt aangetroffen.
[slachtoffer] werd vervolgens in het busje meegenomen naar en vastgehouden op een voor hem onbekende plek. Uit nader onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] zeer waarschijnlijk werd vastgehouden in een pand aan de [adres] te Rotterdam. Later in de nacht werd [slachtoffer] weer vrijgelaten.
Na verder onderzoek door de politie is – onder andere – gebleken dat het busje waarin [slachtoffer] werd meegenomen was gehuurd via de applicatie SnappCar. Verder is gebleken dat het busje ten tijde van de ontvoering van [slachtoffer] op verzoek van de verdachte werd gehuurd door de toenmalige vriendin van de verdachte. Ook werd op camerabeelden waargenomen dat de verdachte en zijn toenmalige vriendin op 11 november 2023 gebruik maakten van voornoemd busje.
Op 29 januari 2024 werd de verdachte in het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek aangehouden. Daarbij heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de moeder van de verdachte, destijds het verblijfsadres van de verdachte. In de slaapkamer van de verdachte werden twee mobiele telefoons inbeslaggenomen. Ook werd in de woning een vuurwapen inbeslaggenomen.
Op het vuurwapen werd een DNA-spoor van de verdachte aangetroffen. Ook is na onderzoek gebleken dat de kogel en de huls die op 10 november 2023 in de directe omgeving van [straatnaam 2] werden aangetroffen, zeer waarschijnlijk zijn afgevuurd met voornoemd vuurwapen.
In een van de mobiele telefoons van de verdachte werd een audiobericht aangetroffen. In het audiobericht is te horen dat door een mannenstem meerdere malen het kenteken noemde van de auto van de oudere broer van één van de vrienden met wie [slachtoffer] op [straatnaam 2] was. In de andere mobiele telefoon van de verdachte werd in de opgeslagen bestanden een video aangetroffen. In deze video is [slachtoffer] te zien terwijl die werd vastgehouden door een aantal personen.
Was de verdachte één van de drie mannen die [slachtoffer] heeft ontvoerd?
Gelet op wat hierboven is uiteengezet, zijn er aanwijzingen dat de verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] . De rechtbank constateert echter dat er geen bewijs in het dossier voorhanden is waaruit volgt dat de verdachte op 10 november 2023 op [straatnaam 2] te Den Haag aanwezig was en dat hij een van de drie mannen was die [slachtoffer] tegen zijn wil heeft meegenomen.
Het is opvallend te noemen dat het vuurwapen dat op 10 november 2023 bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] is gebruikt, enkele maanden later op het verblijfsadres van de verdachte werd aangetroffen en dat op het vuurwapen ook een DNA-spoor van de verdachte werd aangetroffen, maar hieruit kan niet geconcludeerd worden dat de verdachte op 10 november 2023 op [straatnaam 2] te Den Haag aanwezig was en hij aldaar heeft geschoten of [slachtoffer] heeft ontvoerd. De verdachte heeft ter terechtzitting een verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op het vuurwapen, namelijk dat hij het vuurwapen in de gehuurde bus tegenkwam en heeft meegenomen. Ook de gang van zaken met betrekking tot het huren van het busje dat is gebruikt bij de ontvoering van [slachtoffer] , het aantreffen van het audiobericht met het kenteken van de auto van een van de vrienden van [slachtoffer] en een videobestand waarop [slachtoffer] te zien is geeft te denken.
Uit deze feiten en omstandigheden kan evenwel, ook in onderlinge samenhang bezien, niet buiten redelijke twijfel worden afgeleid dat de verdachte één van de plegers was van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] op 10 november 2023.
Dictum
De rechtbank verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M. Meester, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. C.M.A. de Koning, rechter,
in tegenwoordigheid van W.H. Ng en mr. L.A. Haas, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 september 2025.