Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:17490
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,148 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.10547
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2025 (bestreden besluit 1) is aan eiseres op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2) is aan eiseres op grond van artikel 6, eerste en tweede lid juncto het zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiseres heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Overwegingen
Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)
1. Eiseres heeft geen gemotiveerde gronden aangevoerd tegen het besluit tot toegangsweigering. De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 daarom ongegrond.
Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel)
2. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
3.1
Eiseres voert aan dat zij vanaf 20 november 2024 in grensdetentie zit. Volgens haar kan dit niet worden gezien als “een zo kort mogelijke termijn”, zoals genoemd in artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en is de detentie disproportioneel.
3.2
Nu de rechtbank de rechtmatigheid van de op 4 maart 2025 opgelegde maatregel toetst, ligt in onderhavige zaak niet voor of de bewaring gedurende de asielprocedure te lang heeft geduurd. Dat betreft de vorige bewaringsmaatregel. Wel kan de rechtbank zich buigen over de vraag of de totale duur van de door eiseres ondergane bewaring maakt dat het opleggen van de onderhavige maatregel, of de voortduring daarvan, onevenredig is te achten. Op het moment van sluiten van het onderzoek duurde de detentie bijna vier maanden. De rechtbank is van oordeel dat vier maanden niet dusdanig lang is, dat de detentie reeds daardoor onevenredig is te achten.
4. Eiseres heeft ter zitting verder geen gronden aangevoerd tegen de vrijheidsontnemende maatregel. Verder leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Over beide beroepen
5. Het beroep tegen bestreden besluit 1 en tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
RICHTLIJN 2013/33/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 26 juni 2013.