Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:17478
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,548 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42884
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Bij besluit van 27 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Eiser is bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken als waarnemer van eisers gemachtigde, gehoord via een videoverbinding. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1978 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Verweerder heeft gezien eisers lopende asielaanvraag van 27 augustus 2025 de maatregel van bewaring terecht gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, waarbij volgens verweerder sprake is van een risico op onttrekking. Als zware gronden zijn daartoe in de maatregel vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist de zware gronden 3e en 3i en de lichte grond 4b. Hiertoe voert hij aan dat hij in de huidige asielprocedure geen onjuiste of tegenstrijdige persoonsgegevens heeft verstrekt. Verder kan hij vanwege zijn asielaanvraag geen gevolg geven aan zijn verplichting om terug te keren. Tot slot heeft eiser slechts één eerdere asielprocedure doorlopen welke niet in het dossier bevindt, zodat lichte grond 4b niet kan worden tegengeworpen.
5. Verweerder heeft bij de mondelinge behandeling van het beroep de zware grond 3i laten vallen.
6. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat voor het opleggen van de overige in de maatregel genoemde zware gronden alleen is vereist dat deze gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Eiser beschikt immers niet over een paspoort of visum. Verder heeft hij geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf. Deze zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en kunnen de maatregel van bewaring dragen. De onder 4 vermelde beroepsgronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
7. Ook verder bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 september 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.