Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:17463
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,215 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20133
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. W.C. Boelens),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft hierbij het juiste toetsingskader toegepast en heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de seksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 30 november 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 april 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is homoseksueel en heeft dat gedeeld met een collega en vriend van hem. Die collega heeft dat ook aan andere collega’s verteld waardoor eiser op het werk gediscrimineerd en buitengesloten werd. Vervolgens is eiser door zijn broertje betrapt met een andere man, waarna hij is geslagen door zijn oom. Zijn oom en andere mensen uit de plaats waar eiser woonde, waren daarna op zoek naar hem. Bij terugkeer vreest eiser dat hij opgesloten of gedood zal worden door zijn oom en andere mensen uit zijn wijk.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. homoseksuele gerichtheid en problemen daardoor in Guinee.
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief wordt niet geloofwaardig geacht. Eiser kan op basis van het geloofwaardig geachte asielmotief niet worden aangemerkt als vluchteling en loopt bij terugkeer ook geen reëel risico op ernstige schade.
Heeft de minister het juiste toetsingskader toegepast?
5. Eiser heeft op de zitting betoogd dat de minister bij de beoordeling van zijn asielrelaas Werkinstructie (WI) 2019/17 had moeten toepassen. In asielzaken als die van eiser, waarbij homoseksuele gerichtheid speelt, is WI 2024/6 namelijk naar zijn aard niet geschikt om toe te passen, omdat het relaas nooit met documenten kan worden onderbouwd.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op de juiste manier de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser beoordeeld. De minister heeft er namelijk terecht op gewezen dat aan eiser niet is tegengeworpen dat hij geen documenten heeft overgelegd, maar dat het asielrelaas is beoordeeld op basis van de verklaringen van eiser. De verklaringen van eiser zijn aan de hand van de thema’s uit WI 2019/17 beoordeeld, dus in zoverre heeft de minister wel degelijk deze WI toegepast. Dat op de achtergrond ook WI 2024/6 speelt, zoals de minister op de zitting heeft toegelicht, maakt niet dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een onjuiste beoordeling. De minister heeft namelijk, in lijn met WI 2019/17, beoordeeld of sprake is van een authentiek, individueel verhaal. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Hecht de minister ten onrechte geen geloof aan de seksuele gerichtheid van eiser?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig acht dat eiser homoseksueel is. Hiertoe voert eiser het volgende aan.
Verliefdheid en relaties
6.1.
Eiser betoogt dat hij over zijn verliefdheid voor zijn mannelijke collega (collega 1) voldoende heeft verklaard. Ook de relatie met een andere mannelijke collega (collega 2) en de relatie die eiser in Nederland heeft, is voldoende aannemelijk gemaakt, waarbij de combinatie van een vriendschap en een fysiek component duidt op een liefdesrelatie. Gelet op de positie van homoseksuelen in Guinee verwacht de minister met betrekking tot de relatie met collega 2 ten onrechte van eiser dat hij heeft nagedacht over toekomstplannen binnen deze relatie.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser de verliefdheid voor collage 1 niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij stelt de minister niet ten onrechte dat van eiser verwacht mag worden dat hij gedetailleerd kan verklaren waarom de verliefdheid naar deze collega wel tot stand kon komen, ondanks dat eiser de ‘handicap’ zoals hij dat zelf noemt, inhoudende dat hij niet opgewonden raakt bij het hebben van seks met een vrouw, nog steeds heeft en dit daarvoor voor eiser een blokkade was om verliefd te worden op vrouwen. Dit heeft eiser onvoldoende gedaan. Daarnaast stelt de minister niet ten onrechte dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in het verschil tussen een vriendschap en verliefdheid, gelet op het feit dat collega 1 van eiser de eerste persoon was waarop eiser verliefd was en de vriendschap zich heeft ontwikkeld tot een verliefdheid. Hierover blijft eiser oppervlakkig.
De minister acht ook niet ten onrechte de relatie tussen eiser en collega 2 niet geloofwaardig. De minister stelt hierbij niet ten onrechte dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom deze relatie een vriendschap overstijgt. Van eiser mag verwacht worden dat hij hierover meer in detail kan vertellen. De periode met deze collega is namelijk de kern van het asielmotief van eiser. Daarnaast is deze collega een belangrijk onderdeel geweest van de acceptatie van de homoseksualiteit van eiser én was eiser verliefd op deze collega. De minister stelt niet ten onrechte dat van eiser verwacht mag worden dat hij hierover persoonlijker kan verklaren, met name gelet op het feit dat dit zijn eerste relatie was in een land waar dat niet mag. De minister stelt verder niet ten onrechte dat niet wordt gevolgd dat eiser helemaal niet heeft nagedacht over een toekomst met collega 2, aangezien hij erg belangrijk was voor eiser. De minister heeft hierbij op de zitting toegelicht dat ook als geen toekomst als liefdesrelatie mogelijk is, wel een vriendschap mogelijk is en eiser in dat kader ook over toekomst had kunnen spreken met collega 2.
De minister stelt zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat eiser de romantische relatie met een man in Nederland niet aannemelijk heeft gemaakt. De verklaringen van eiser over deze relatie zijn namelijk van algemene aard en kunnen daarom ook duiden op een vriendschappelijke relatie, waarbij de minister op de zitting niet ten onrechte heeft opgemerkt dat eiser zich al lange tijd vrij kan uiten in Europa en daarom meer van hem verwacht mag worden.
Twijfel/acceptatie homoseksualiteit
6.3.
Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe collega 2 zijn twijfel over zijn seksualiteit heeft weggenomen. Eiser heeft namelijk verklaard dat zij veel met elkaar gepraat hebben. Eiser voert daarnaast aan dat hij niet heeft gesproken over enige twijfel over zijn homoseksualiteit, maar hij meende dat zijn onvermogen om een relatie aan te gaan met een vrouw, te maken had met zijn handicap. De twijfel waar eiser over heeft gesproken verwijst naar iets anders, namelijk of eiser nádat hij erachter was gekomen dat hij homoseksueel is, ooit nog daarover getwijfeld heeft.
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke manier eiser zijn geaardheid heeft geaccepteerd. Hierbij wijst de minister op de gesprekken van eiser met collega 2. Eiser heeft namelijk niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze deze gesprekken de twijfel over zijn geaardheid hebben weggenomen. De minister stelt hierbij niet ten onrechte dat eisers verklaringen hierover algemeen blijven, waarmee onduidelijk is hoe zijn collega de gevoelens van eenzaamheid en twijfel heeft weggenomen. De rechtbank volgt daarnaast het betoog van eiser niet dat hij nooit getwijfeld zou hebben. Uit het gehoor blijkt namelijk wel degelijk twijfel en dat deze is weggenomen door collega 2. Daarbij komt dat de minister niet zozeer wijst op de twijfel, maar tegenwerpt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke manier hij zijn geaardheid heeft geaccepteerd.
Religie
6.5.
Eiser voert aan dat onduidelijk is of de minister eisers visie op de verhouding tussen zijn seksuele gerichtheid en zijn geloofsovertuiging, anders dan in het voornemen, in het besluit niet authentiek vindt. Daarnaast heeft eiser wel voldoende verklaard over zijn visie hierop.
Conclusie
6.13.
Gelet op het voorgaande heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat de homoseksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Pagina 28, verslag nader gehoor van 18 april 2025 (nader gehoor).
Zie in dat kader ook r.o. 6.2.
Beoordeling
6.6.
De minister stelt in het voornemen dat sprake is van een authentiek inzicht met betrekking tot de verhouding tussen homoseksualiteit en religie, maar dat dit niet opweegt tegen de andere verklaringen van eiser over de acceptatie van zijn homoseksualiteit. In het besluit heeft de minister dit standpunt gehandhaafd. Het betoog van eiser slaagt daarom niet.
LHBTI in Guinee en Nederland
6.7.
Eiser betoogt dat de minister zijn verklaringen over de situatie van LHBTI-personen in Guinee onterecht oppervlakkig acht. De minister benoemt namelijk niet wát hij precies oppervlakkig vindt. Daarnaast voert eiser aan dat de minister niet deugdelijk heeft getoetst aan paragraaf 2.1 van WI 2019/17. Hierin is contact met LHBTI’s en kennis van situatie in Nederland als thema opgenomen.
6.8.
De minister stelt terecht dat de antwoorden van eiser over de situatie van LHBTI’s in Guinee oppervlakkig blijven. Eiser weet afgezien van het feit dat homoseksualiteit verboden is, niet méér (te verklaren) over de situatie van LHBTI-personen. Dit mag wel van eiser verwacht worden aangezien hij al geruime tijd in Nederland verblijft en dus onderzoek had kunnen verrichten naar de situatie in Guinee. Daarnaast mag van eiser verwacht worden dat hij kan verklaren wat het voor hem betekende dat homoseksualiteit verboden is. Hiervoor mocht de minister te algemeen vinden dat eiser heeft verklaard dat het voor hem moeilijk was om zijn homoseksualiteit te uiten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hiermee voldoende benoemd wat hij precies oppervlakkig acht.
De minister is in het besluit ingegaan op het contact met LHBTI-personen in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie. Hiermee heeft de minister dus getoetst aan paragraaf 2.1 van WI 2019/17. Voor zover eiser betoogt dat de motivering van de minister op dit punt onvoldoende is, wijst de rechtbank op het volgende. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de verklaringen van eiser over de activiteiten waar hij in Nederland aan deelneemt, onpersoonlijk en algemeen zijn. Eiser verklaart namelijk enkel dat de activiteiten hem plezier gaven en dat deze leuk en gezellig waren met andere mensen. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij naar de bijeenkomsten gaat om nieuwe mensen te leren kennen en dat het belangrijk voor hem is om andere homoseksuelen te leren kennen.
Discriminatie, repressie en vervolging in Guinee
6.9.
Eiser betoogt dat de minister op dit punt onvoldoende inhoudelijk is ingegaan op hetgeen naar voren is gebracht in de zienswijze. Verder is het volgens eiser niet ongeloofwaardig dat een vriend van zijn vader hem heeft geholpen. Eiser heeft namelijk verklaard dat sinds het overlijden van zijn vader, hij altijd bij deze vriend terecht kon met zijn problemen.
6.10.
De minister stelt dat de verklaringen van eiser over de door hem ervaren discriminatie, repressie en vervolging in Guinee niet aannemelijk zijn. In de zienswijze heeft eiser op dit punt inhoudelijk geen argumenten tegen het voornemen naar voren gebracht, waardoor het standpunt uit het voornemen onweersproken is. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het betoog van eiser dat de minister onvoldoende inhoudelijk is ingegaan op hetgeen naar voren is gebracht in de zienswijze dus niet.
Met betrekking tot de hulp van een vriend van de vader van eiser stelt de minister niet ten onrechte dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom deze vriend hem heeft geholpen. Het was namelijk voor hem ook een risico om eiser te helpen, gelet op de intolerantie tegenover homoseksuele personen. Daarnaast heeft eiser geen inspanningen geleverd om deze vriend nader te bevragen over waarom hij eiser wilde helpen.
Standpunten op zitting
6.11.
Eiser betoogt dat de minister het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat de minister tijdens de zitting drie punten heeft laten vallen, namelijk het punt over religie, het maken van toekomstplannen en dat eiser niet nagedacht zou hebben over trouwen. De minister had daarom een aanvullend of nieuw besluit moeten nemen.
6.12.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister, zoals hij ook heeft gesteld, het punt over religie niet laten vallen. In het besluit heeft de minister hierover het standpunt ingenomen dat eisers visie op de verhouding tussen zijn gestelde geaardheid en religie authentiek zijn, maar dat dit onvoldoende is om de homoseksualiteit geloofwaardig te achten. Tijdens de zitting heeft de minister dit standpunt gehandhaafd en daarbij een nadere toelichting gegeven. Met betrekking tot het maken van toekomstplannen heeft de minister tijdens de zitting naar voren gebracht dat dit inderdaad lastig is gelet op de situatie in Guinee, maar dat dit niet maakt dat de relatie met collega 2 aannemelijk is gemaakt. Gelet op hetgeen is overwogen onder 6.2. heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat deze relatie niet aannemelijk is. Tot slot heeft de minister tijdens de zitting wel het punt laten vallen dat niet kan worden tegengeworpen dat eiser niet nagedacht zou hebben over trouwen. De minister heeft op zitting echter niet ten onrechte gesteld dat hierdoor het standpunt dat eiser zijn relatie met een man in Nederland niet aannemelijk heeft gemaakt, niet verandert.