Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:17394
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,903 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11136
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M. Terpstra),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R. van Dooren).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft op 18 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Chinese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001. De minister heeft met het bestreden besluit van 4 maart 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, G.S. Nie als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Het asielrelaas
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. In de corona-tijd, rond oktober 2022, nam de Chinese overheid heel strenge maatregelen. Eiser was het niet eens met het beleid van de Chinese overheid. Eiser heeft toen besloten om buitenlands nieuws uit te printen en op te plakken op openbare plekken, met name in openbare toiletten. Ook heeft eiser in november 2022 in het openbaar een toespraak gehouden waarin hij kritiek uitte op het beleid van de Chinese overheid. Eiser is naar aanleiding van deze toespraak opgepakt door de politie, mishandeld en 24 uur lang vastgehouden. Na zijn vrijlating heeft eiser opnieuw posters met nieuws uit het buitenland opgehangen. Eiser vreest dat de Chinese overheid hem bij terugkeer zal oppakken en arresteren.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende geloofwaardig bevonden asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Activiteiten tegen Chinese overheid en arrestatie.
8. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de geloofwaardig bevonden asielmotieven geen asielgrond vormen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Vw. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser op dit moment in de negatieve aandacht van de Chinese autoriteiten staat. Eiser heeft een marginale rol gespeeld in zijn activisme tegen de overheid en er zijn geen indicaties dat hij nogmaals zal worden opgepakt. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw, omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd, maar pas ongeveer een week nadat hij Nederland is ingereisd.
9. Daarnaast komt eiser volgens de minister niet in aanmerking voor een afgeleide verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is geen sprake van familie- en gezinsleven tussen eiser en zijn gestelde kind omdat de biologische band niet is aangetoond. Ook is er geen familie- en gezinsleven tussen eiser en de moeder van het kind. De relatie tussen eiser en de moeder van het kind is niet onderbouwd.
10. Tot slot heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw.
De asielrechtelijke bescherming
11. Eiser voert aan dat het bestreden besluit genomen had moeten worden met inachtneming van recentere landeninformatie. Het Algemeen ambtsbericht over China dateert uit december 2022 en beslaat niet de periode waarin eiser problemen met de Chinese autoriteiten heeft ervaren. Eiser heeft zich wel gebaseerd op landeninformatie waarmee hij zijn vrees heeft onderbouwd en heeft aangetoond dat zijn vrees niet enkel speculatief is. Eiser is opgepakt door de Chinese autoriteiten en dit vormt een aanwijzing dat de vrees van eiser gegrond is in de zin van artikel 31, vijfde lid, van de Vw. De minister heeft zich hiervan onvoldoende rekenschap gegeven. Tot slot heeft eiser geen uitreisstempel van China in zijn paspoort, omdat hij via [plaats] is vertrokken. Het ontbreken van de uitreisstempel gezien in samenhang met de eerder ondervonden problemen maakt dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
12. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Vw, vormt het feit dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel aan ernstige schade, of dat hij hiermee is bedreigd, een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is en het risico om te worden onderworpen aan ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zullen voordoen. De minister heeft geloofwaardig geacht dat eiser in november 2022 is opgepakt door de Chinese autoriteiten naar aanleiding van de toespraak die hij in het openbaar heeft gehouden, waarin hij zich kritisch heeft uitgelaten over het beleid van de Chinese overheid. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze gebeurtenis niet kwalificeert als een aanwijzing zoals bedoelt in artikel 31, vijfde lid, van de Vw. Het bestreden besluit bevat dus een motiveringsgebrek en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.
13. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister zich met de op de zitting gegeven nadere toelichting voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser na zijn arrestatie nog in de negatieve belangstelling van de Chinese autoriteiten stond of dat hij vervolging hoeft te vrezen bij zijn terugkeer in China. De minister heeft daartoe kunnen overwegen dat de arrestatie van eiser kan worden aangemerkt als een eenmalig incident en mocht daarbij meewegen dat uit hetgeen door eiser is verklaard niet volgt dat de Chinese autoriteiten ook op de hoogte zijn van het opplakken van de buitenlandse nieuwsberichten door eiser voor of na zijn arrestatie. De minister heeft deze laatste activiteiten niet ten onrechte marginaal geacht. De arrestatie vond plaats rond november 2022. Sindsdien zijn er geen (concrete) aanknopingspunten dat eiser in de negatieve belangstelling zou staan. Niet is gebleken dat eiser problemen heeft gehad bij zijn legale uitreis uit China via [plaats] , waarbij hij zijn eigen documenten heeft gebruikt. In het bestreden besluit is tenslotte niet ten onrechte overwogen dat uit het Algemeen ambtsbericht China van 2022 volgt dat het niet langer vereist is dat Chinese staatsburgers die terugkeren aantonen dat zij rechtmatig verblijf hebben gehad in Nederland. In zoverre slaagt het beroep van eiser niet.
14. Omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat, is het beroep van eiser gegrond. De rechtbank ziet, op grond van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 13, echter aanleiding om op dit punt de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank stelt daarbij vast dat eiser geen gronden heeft ingediend tegen de kennelijke ongegrondverklaring van zijn asielaanvraag op grond van het feit dat eiser bij zijn binnenkomst in Nederland niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd.
Artikel 8 van het EVRM in het kader van het terugkeerbesluit
15. Eiser voert nog aan dat de minister geen terugkeerbesluit heeft mogen opleggen omdat eiser een beroep heeft gedaan op verblijf bij een familie- of gezinslid. Eiser probeert zijn minderjarige kind te erkennen bij de gemeente, maar ondervindt hierbij moeilijkheden omdat eiser geen origineel paspoort en geboortebewijs kan tonen. De minister heeft een onderzoeksplicht als hij een terugkeerbesluit wil opleggen aan een vreemdeling die mogelijk een verblijfsrecht heeft als partner van een Unieburger of op grond van het arrest Chavez- Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354). Hierbij verwijst eiser naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 augustus 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1987) en van 21 november 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2530). De minister heeft in het bestreden besluit niet aan zijn onderzoeksplicht voldaan, aldus eiser.
16. De rechtbank is van oordeel dat de minister het terugkeerbesluit heeft kunnen opleggen, nu eiser de relatie met zijn gestelde minderjarige kind (en haar moeder) niet heeft onderbouwd. Wat is aangevoerd door eiser is onvoldoende om te concluderen dat de minister (ambtshalve) nader onderzoek had moeten doen of had moeten afzien van het opleggen van een terugkeerbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
17. Het beroep is gegrond omdat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarbij is toepassing gegeven aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.
18. Omdat het beroep gegrond is, veroordeeld de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten bedragen € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 juni 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.