Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:17390
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
795 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43063
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , verzoeker,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J. Burema)
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
1. Bij besluit van 2 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Bij brief van 16 september 2025 heeft de minister aan verzoeker meegedeeld dat hij op 24 september 2025 om 11.50 uur zal uitreizen in het kader van de Dublin-overeenkomst naar Oostenrijk. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot een verbod op verwijdering uit Nederland alvorens op het beroep is beslist.
3. Na afweging van de betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen, het bestreden besluit te schorsen en te bepalen dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Oostenrijk totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist. Door toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening wordt de overdrachtstermijn opgeschort.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen wordt de minister veroordeeld in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,00 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden uitgezet naar Oostenrijk totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.