Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:17321
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,933 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-2810
Zaaknummer: C/09/664887
Datum beschikking: 19 juni 2025
Gezag en omgang c.q. de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, informatie- en consultatieregeling
Beschikking op het op 16 april 2024 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. van der Zalm te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Kahya-Ekinci te Rijswijk.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek (ingekomen bij de rechtbank op 5 mei 2025);
het F9-bericht van 13 mei 2025, met bijlagen, van de vader.
Op 15 mei 2025 is de zaak behandeld op een zitting van deze rechtbank. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Van de zijde van de vader is een nader stuk, te weten een alimentatieberekening, overgelegd.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .
- [de minderjarige] is door de vader erkend.
- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt ertoe:
de vader samen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] ;
een omgangs-/zorgregeling te bepalen, waarbij [de minderjarige] bij de vader zal verblijven (waarbij geldt dat de vader [de minderjarige] zal ophalen/terugbrengen):
in de even weken van vrijdag na de opvang tot zondag 18.00 uur;
in de oneven weken van vrijdag na de opvang tot zaterdag 18.00 uur;
(school)vakanties en feestdagen tussen partijen in onderling overleg bij helfte te verdelen;
- voor zover de vader niet mede belast wordt met het gezag: te bepalen dat de moeder de vader ten minste één keer per maand per e-mail informeert over het wel en wee van [de minderjarige] , waaronder doch niet uitsluitend haar ontwikkelingen, vrijetijdsbesteding, medische kwesties, vakanties en uitjes naar het buitenland met precieze bestemming en informatie over financiële kwesties aangaande [de minderjarige] en de vader vooraf in een zo vroeg mogelijk stadium
consulteert bij het nemen van belangrijke beslissingen over [de minderjarige] althans een zodanige informatie- en consultatieregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
een en ander uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig:
een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [de minderjarige] , zoals weergegeven in punt 23 van het verweerschrift;
de verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen overeenkomstig het verzoek van de moeder zoals opgenomen in punt 27 van het verweerschrift;
te bepalen dat de vader met ingang van september 2024, althans met ingang van een datum die de rechtbank in goede justitie zal bepalen, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] voldoet van € 161,- per maand, bij vooruitbetaling te volden, telkens uiterlijk op de eerste dag van de maand;
een en ander uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
Beoordeling
Gezag
De vader verzoekt om samen met de moeder te worden belast met het gezag over [de minderjarige] . De vader voert hiertoe – samengevat – de volgende argumenten aan. Toen de vader [de minderjarige] erkende, hebben partijen er niet aan gedacht om ook meteen het gezag te regelen. Vanaf de relatiebreuk van partijen heeft de vader via zijn advocaat geprobeerd dit alsnog te doen. De vader heeft altijd een rol gespeeld in het leven van [de minderjarige] en hij wil dat dat zo blijft. Door het ontbreken van gezamenlijk gezag wordt de vader beperkt in zijn vaderrol. De vader wil betrokken zijn bij belangrijke beslissingen rond [de minderjarige] en daar ook de verantwoordelijkheid voor dragen. De vader wijst erop dat gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is in geval van erkenning en dat er geen sprake is van contra indicaties.
De moeder kan er niet mee instemmen dat de vader mede met het gezag over [de minderjarige] wordt belast, omdat dat volgens haar strijdig is met de belangen van [de minderjarige] . Volgens de moeder is sprake van communicatieproblematiek tussen partijen en ontbreekt wederzijds vertrouwen. De ervaring van moeder is dat de vader zijn wil doordrukt en nauwelijks ruimte laat voor overleg. Daarnaast bestaan er tussen partijen cultuur- en geloofsverschillen, wat maakt dat partijen een andere kijk hebben op de invulling van het ouderschap. De moeder verwacht dat het voorgaande in de toekomst zal leiden tot conflicten in de gezamenlijke besluitvorming over belangrijke aangelegenheden zoals schoolkeuze, medische zaken en verhuizing.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253c, eerste en tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Het verzoek wordt slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kind(eren) uitoefenen en dat slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat slechts één van de ouders met het gezag is belast. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen.
Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de aarzelingen van de moeder en het feit dat zij tijd nodig heeft om haar vertrouwen in de vader op te bouwen, hebben partijen in korte tijd wel al grote stappen gezet in het delen van de zorg en opvoeding van [de minderjarige] . De rechtbank is daarnaast onvoldoende gebleken van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de ouders niet in staat zouden zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Ook is niet gebleken van contra-indicaties bij de vader of voldoende reden om aan te nemen dat de vader gezagsbeslissingen in de weg zal staan.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader, om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] , toewijzen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Nu sprake is van gezamenlijk gezag, is artikel 1:253a BW van toepassing. Op grond van artikel 1:253a, eerste lid BW kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling).
Reguliere zorgregeling
Gebleken is dat partijen in een mediationtraject al grotendeels overeenstemming hebben bereikt over de dagen dat [de minderjarige] bij de vader verblijft, namelijk om de week van vrijdagmiddag uit de opvang (vader haalt [de minderjarige] daar rond 15.00 uur op) tot zondagavond 18.45 uur (vader brengt [de minderjarige] terug naar de moeder).
Hoewel partijen deze regeling in de praktijk al uitvoeren, is deze regeling volgens de moeder toch te onrustig gebleken voor [de minderjarige] . Daarom verzoekt de moeder te bepalen dat [de minderjarige] – in plaats van tot zondagavond – tot maandagochtend bij de vader blijft, waarbij de vader [de minderjarige] dan naar de opvang brengt (of naar school zodra [de minderjarige] naar school gaat). Op de zitting heeft de vader aangeven hiermee akkoord te zijn.
De rechtbank zal deze tussen partijen overeengekomen reguliere zorgregeling opnemen in het dictum van deze beschikking.
Verdeling vakanties/feestdagen
De vader verzoekt om de (school)vakanties en feestdagen tussen partijen in onderling overleg bij helfte te verdelen. De moeder gaat hier grotendeels mee akkoord, onder de nadrukkelijke voorwaarde dat [de minderjarige] – gelet op haar nog jonge leeftijd, de bestaande zorgverdeling en de daaraan gekoppelde hechtingsbehoefte – niet langer dan tien aaneengesloten dagen bij de vader verblijft én partijen uiterlijk vier maanden voorafgaand aan iedere vakantieperiode afspraken maken over de invulling van de vakanties.
Hoewel de vader tijdens vakanties het liefst een langere periode met [de minderjarige] weg zou willen gaan, heeft hij op de zitting aangegeven voor nu akkoord te kunnen gaan met de door de moeder gestelde voorwaarden. De vader ziet namelijk in dat het voor [de minderjarige] op dit moment mogelijk nog een te grote stap is om langere tijd van haar moeder gescheiden te zijn. Op termijn wil de vader wel graag (minimaal) 2 weken met [de minderjarige] op vakantie kunnen gaan.
Omdat partijen het eens zijn over de huidige verdeling van de vakanties en feestdagen zal de rechtbank de overeenstemming in deze beschikking vastleggen. Ten aanzien van de zomervakantie 2025 wordt daarnaast concreet vastgelegd dat [de minderjarige] gedurende twee keer 10 dagen bij de vader verblijft, waarbij de specifieke perioden in onderling overleg tussen partijen worden vastgesteld.
De rechtbank vindt het in het belang van [de minderjarige] dat zij volgend jaar gedurende de zomervakantie een langere tijd met haar vader kan doorbrengen. Voor de zomervakantie 2026 (en de jaren daarna) zal de rechtbank daarom beslissen dat [de minderjarige] minimaal 14 dagen achterelkaar bij de vader verblijft, waarbij de specifieke periode in onderling overleg tussen partijen wordt vastgesteld.
Kinderalimentatie
Toelating zelfstandig verzoek moeder
Namens de vader is in het F9-bericht van 13 mei 2025 bezwaar gemaakt tegen het door de moeder ingediende zelfstandige verzoek om kinderalimentatie. Volgens de advocaat van de vader is dit verzoek namelijk tardief ingediend.
Hoewel het zelfstandige verzoek van de moeder een week voor de zitting is ingediend, zal de rechtbank het toelaten. Gebleken is namelijk dat de vader al langere tijd bekend was met het feit dat de moeder een bijdrage in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] verlangt.
Beoordeling
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het tremarapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
I. Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
Gelet op de ter zitting over en weer ingenomen standpunten en het door de vader gevoerde verweer ziet de rechtbank aanleiding om de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van datum van indiening van het zelfstandige verzoek, te weten 5 mei 2025.
II. Behoefte [de minderjarige]
Partijen zijn het erover eens dat de basisbehoefte van [de minderjarige] in 2023 (het jaar waarin partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan) € 525,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2025 is de behoefte van [de minderjarige] dan € 594,- per maand.
Hoewel partijen het erover eens dat de basisbehoefte van [de minderjarige] moet worden verhoogd met de netto kosten voor de kinderopvang, zijn zij het niet eens over het bedrag van deze verhoging. Gelet op de uitgangspunten zoals opgenomen in het tremarapport, houdt de rechtbank echter helemaal geen rekening met kinderopvangkosten als behoefte verhogende kosten, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten in onderhavige situatie als ‘uitzonderlijk’ kwalificeren.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding de behoefte van [de minderjarige] (€ 594,- per maand) tussen partijen moet worden verdeeld.
III. Draagkracht moeder
Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de moeder € 612,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank deze overeenstemming zal volgen en dat bedrag zal hanteren in haar berekening.
IV. Draagkracht vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 2.104,- bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld. De rechtbank baseert zich hierbij op de gegevens op de door de vader overgelegde salarisspecificaties van maart 2025 en april 2025.
Hoewel het oproepcontract van de vader is gebaseerd op een werkweek van 38 uur, heeft de vader op de zitting voldoende gemotiveerd aangevoerd dat hij feitelijk minder uren maakt. De rechtbank gaat ervan uit dat de vader – zeker gelet op de huidige arbeidsmarkt – in staat moet worden geacht 36 uur te werken, desnoods bij een andere werkgever. Uitgaande van het uurloon van de vader van € 14,61 x 36 uur per week x 4 weken, komt de rechtbank uit op een bruto maandsalaris van € 2.104,-.
De rechtbank houdt verder rekening met de pensioen- en WGA premie. Uitgaande van de cumulatieven op de salarisspecificatie van april 2025 – waarop het aantal loonuren 466 bedraagt – is de afdracht pensioenpremie per uur € 0,71 en voor de WGA € 0,10 per uur. Wanneer deze bedragen worden vermenigvuldigd met 36 uur, komt de rechtbank uit op € 26,- aan pensioenpremie en € 4,- aan WGA premie per maand (totaal € 30,- per maand).
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2025 op € 2.131,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [2.131 – (0,3 x 2.131 + 1.310)] = € 127,- per maand.
V. Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 739,- per maand (€ 612 + € 127). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 127 / 739 x € 594 = € 102,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 612 / 739 x € 594 = € 492,-
samen € 594,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 102,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 492,- per maand komt voor rekening van de moeder.
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 148,- per maand (25% van € 594,-). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de vader te betalen bijdrage bedraagt dan nihil per maand (€ 102 -/- € 148).
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder om vaststelling van een door de vader te betalen kinderalimentatie afwijzen.
Proceskosten
Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Dictum
De rechtbank:
bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] ;
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] bij de vader zal zijn:
om de week van vrijdagmiddag (uit de opvang) tot maandagochtend (naar de opvang), waarbij geldt dat de vader zorgdraagt voor het halen/brengen;
gedurende (school)vakanties en feestdagen: tussen partijen in onderling overleg bij helfte te verdelen, onder de voorwaarde dat partijen uiterlijk vier maanden voorafgaand aan iedere vakantieperiode afspraken maken over de invulling van de desbetreffende vakantie, waarbij specifiek geldt voor de zomervakantie:
zomervakantie 2025[de minderjarige] verblijft bij de vader gedurende twee keer 10 dagen (de specifieke perioden worden in onderling overleg tussen partijen vastgesteld);
zomervakantie 2026 en jaren daarna[de minderjarige] verblijft (minimaal) 14 dagen achterelkaar bij de vader (de specifieke periode wordt in onderling overleg tussen partijen vastgesteld);
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G.J. Konings als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2025.