Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:17288
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,644 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28483
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 juni 2025 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2025 samen met zaak NL24.28484 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Heeft de minister het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?
4. Eiser betoogt dat de minister het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid. Hij betoogt daartoe dat de minister de door eiser in het aanmeldgehoor genoemde bezwaren pas in het bestreden besluit voor het eerst heeft genoemd, zodat hij daar pas in beroep heeft kunnen reageren. Daarmee is volgens eiser sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op 23 november 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat een uitgebreidere motivering van de minister in het bestreden besluit dan in het voornemen niet betekent dat het voornemen onzorgvuldig is. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van de minister dragende overwegingen opgenomen. De minister heeft overwogen dat er geen risico op onmenselijke behandeling is bij overdracht naar Duitsland. Ook heeft de minister overwogen dat de verklaringen van eiser over wat hij heeft meegemaakt in Duitsland en de huidige situatie in Duitsland niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van structurele tekortkomingen. Verder heeft de minister overwogen dat eiser zich bij problemen in Duitsland kan wenden tot de autoriteiten. Uit het voornemen blijkt verder dat er geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor de minister zou moeten concluderen dat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft deze bijzondere, individuele omstandigheden niet benoemd in het voornemen, maar door te stellen dat niet is gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden laat de minister zien dat deze wel zijn beoordeeld.
Bovendien is een voornemen een voorbereidingshandeling en daarmee niet een op een rechtsgevolg gericht besluit. Dat de minister pas meer uitgebreid is ingegaan in het bestreden besluit op de door eiser in het aanmeldgehoor en de zienswijze naar voren gebrachte bezwaren is daarom geen zorgvuldigheidsgebrek.
Kan Duitsland verantwoordelijk worden gehouden voor het behandelen van eisers asielverzoek?
5. Eiser voert aan dat Nederland hem ten onrechte wil overdragen aan Duitsland. Gezien het feit dat Nederland zijn buitengrenzen onvoldoende controleert en onvoldoende toezicht houdt op de migratiestromen, kan de minister volgens eiser niet met succes een beroep doen op de Dublinverordening. Het uitgangspunt van die verordening, aldus eiser, is dat elke lidstaat zijn buitengrenzen effectief bewaakt, zodat op basis daarvan de verantwoordelijkheidsvaststelling kan plaatsvinden. Nu Nederland hierin tekortschiet, kan een andere lidstaat, zoals Duitsland, volgens eiser niet zonder meer verantwoordelijk worden gehouden.
5.1.
Het betoog slaagt niet. Anders dan eiser lijkt te betogen volgt uit de Dublinverordening geen rechtsregel die maakt dat Duitsland in dit geval niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het in behandeling nemen van een asielaanvraag, omdat eiser kennelijk buiten het toezicht van de Nederlandse autoriteiten het land is binnengekomen. Tegen de overige overwegingen van de minister heeft eiser geen beroepsgronden gericht.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348.