Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:17280
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,550 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18422
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2025 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J. Burema),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister mocht de verklaringen van eiser betrekken in zijn beoordeling en heeft deugdelijk gemotiveerd dat en waarom hij de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid en de problemen die hij als gevolg hiervan heeft ondervonden niet gelooft. De minister was niet gehouden om die ongeloofwaardig geachte verklaringen en de voor eiser over dat onderwerp overgelegde informatie te betrekken bij de beantwoording van de vraag of eiser een risico loopt op vervolging als hij terugkeert naar Trinidad en Tobago. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 en 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aa het eind onder 9 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 23 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 april 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser komt uit Trinidad en Tobago. Hij is homoseksueel en heeft een relatie met [persoon A] , een transman. Hij heeft in Trinidad en Tobago een relatie gehad met een andere man. De broer van die man ( [persoon B] ) is achter die relatie gekomen. [persoon B] is lid van een bende: [naam bende] . Hij heeft eiser ontvoerd en hem, samen met drie andere bendeleden, ernstig mishandeld en voor dood achtergelaten. Eiser is vervolgens naar Engeland gevlucht. Eiser is teruggekeerd naar Trinidad en Tobago vanwege zijn zieke moeder en heeft zich daar schuilgehouden totdat hij naar Nederland is gevlucht. Toen [persoon B] erachter kwam dat eiser nog leefde heeft hij eiser bedreigd. Hij heeft eiser berichten gestuurd en gedreigd hem te vermoorden. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Trinidad en Tobago zal worden vermoord door [persoon B] en zijn bende. Hij kan geen bescherming van de politie vragen omdat de politie niet is opgewassen tegen bendes en omdat homoseksualiteit strafbaar is in Trinidad en Tobago.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst
seksuele gerichtheid en daaruit voortvloeiende problemen
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en de herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De minister volgt niet hetgeen eiser heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen. De minister stelt voorop dat eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn verklaringen kunnen onderbouwen. Hij stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van eiser ongeloofwaardig zijn omdat zij geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo meent de minister dat eiser te vaag en oppervlakkig verklaart over de ontdekking van zijn gerichtheid en onvoldoende inzicht geeft in hoe het ontdekken van zijn gerichtheid voor hem was. De minister meent dat eiser hier meer over zou moeten kunnen verklaren omdat hij afkomstig is uit een land waar men lhbti-gerichtheid niet accepteert. Ook verklaart eiser, aldus de minister, vaag en wisselend over zijn relatie met [persoon A] . Hij heeft de romantische aard van die relatie niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij problemen heeft ondervonden met [naam bende] of dat [persoon B] uit naam van die bende problemen met hem heeft. Eiser geeft geen inzicht in hoe hij zich in de toekomst zou willen uiten. De minister meent dat eiser consistent tekortschiet in het verschaffen van inzicht in zijn gedachten, gevoelens en emoties. De minister concludeert daarom dat de verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen in de zin artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Verder werpt de minister eiser tegen dat hij zijn aanvraag te laat heeft ingediend en daarvoor geen goede reden heeft aangevoerd (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000). De geloofwaardig geachte identiteit, nationaliteit en herkomst is geen reden om eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen. De minister wijst de asielaanvraag van eiser dan ook af.
Is het gehoor zorgvuldig verlopen?
5. Eiser betoogt dat het gehoor onzorgvuldig is verlopen en daardoor de kern van eisers relaas niet op tafel is gekomen. Dat de hoormedewerker veel vragen heeft gesteld maakt dat niet anders. Eiser en de hoormedewerker begrepen elkaar niet. Haar vragen waren onvoldoende concreet. Op de vraag wat het met eiser deed dat hij niet werd geaccepteerd zoals hij is, is niet goed doorgevraagd. Eiser had het gevoel dat hij moest bewijzen wat hem was overkomen en hetgeen hij heeft meegemaakt werd gebagatelliseerd. Eiser kan zich niet voorstellen dat hij zich in Trinidad en Tobago kan uiten dus kan hij daar ook niets over zeggen. Ook de tolk begreep eiser niet goed. Dat had hij moeten aangeven. Dat uit correcties en aanvullingen niet blijkt dat eiser de tolk niet kon verstaan zegt niets. Het was voor eiser niet duidelijk wat er niet goed was gegaan in het gehoor.
5.1.
Bij zaken als deze, waarin de seksuele gerichtheid van de vreemdeling en de daaruit voortvloeiende problemen als asielmotief worden aangevoerd ligt het zwaartepunt op de verklaringen van de vreemdeling. In Werkinstructie 2019/17 is uitgewerkt hoe de geloofwaardigheid van die verklaringen wordt onderzocht. Hierbij worden vragen gesteld over een aantal vaste thema’s:
privéleven (waaronder familie, vrienden, (voorgaande) relaties) en omgeving,
huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van lhbti-groepen in het land van herkomst,
contact met lhbti’ers in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie en
discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst.
5.1.1.
Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat het gehoor zorgvuldig is verlopen. Uit de kopjes en de vragen in het rapport van het nader gehoor volgt dat de hoormedewerker alle hierboven genoemde thema’s aan de orde heeft gesteld. Ook volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat de hoormedewerker eiser voldoende ruimte heeft gegeven om te verklaren en in het gehoor is uitgelegd wat er van eiser werd verwacht. Het is de verantwoordelijkheid van de hoormedewerker om, vanuit zijn samenwerkingsplicht, eiser bij te sturen en te helpen wanneer iets onduidelijk blijft. De rechtbank leest, net als de minister, ook in het rapport van het gehoor terug dat de hoormedewerker open vragen heeft gesteld en haar vragen op verschillende manieren heeft gesteld. Zo vraagt de hoormedewerker: ‘Hoe zou u uw seksuele gerichtheid willen uiten bij terugkeer naar Trinidad en Tobago?’ En ‘…in het gunstigste geval, als het wel zou kunnen, hoe zou u het dan willen doen?’ En: ‘Stel die wet is er en je wordt niet veroordeeld. Hoe zou u zich dan uiten?’ Uit deze vragen en uit de door eiser gegeven antwoorden blijkt weliswaar dat eiser het lastig vindt om de vragen te beantwoorden, maar niet dat de hoormedewerker onzorgvuldig handelt of zaken bagatelliseert. De hoormedewerker heeft ook doorgevraagd wanneer zaken haar niet duidelijk waren of zij het antwoord van eiser te algemeen vond. Zo heeft zij bijvoorbeeld bij eisers verklaring dat hij in de kofferbak was gestopt door de bende van [persoon B] extra vragen gesteld. Zij geeft hier aan: ‘Sorry dat ik u al direct onderbreek, maar u verklaart in algemeenheden vertelt ‘ze’ hebben me in elkaar geslagen. Ik was niet aanwezig, dus ik kan niet weten wie ‘ze’ zijn. Ik wil u vragen meer in detail te vertellen.’ en ‘We is ze?’ Dat de hoormedewerker de verklaringen van eiser over hetgeen hem is overkomen bagatelliseert volgt de rechtbank niet. Ook is kenbaar rekening gehouden met het feit dat eiser moe was. Zo is vooraf gevraagd naar zijn vermoeidheidsklachten en ook tussendoor is geregeld gevraagd of eiser behoefte had aan extra pauze en zijn die pauzes waar nodig ingelast. Dat de hoormedewerker niet heeft doorgevraagd op de vraag wat het met eiser deed dat hij niet werd geaccepteerd zoals hij is, is juist. De rechtbank oordeelt echter dat, gezien hetgeen hiervoor is toegelicht, het enkele niet doorvragen op dit ene punt niet maakt dat het gehoor als geheel onzorgvuldig is verlopen.
5.1.2.
Uit het gehoor blijkt ook niet dat de tolk eiser niet goed kon volgen. Weliswaar heeft de tolk in het nader gehoor een keer gezegd dat hij eiser niet begreep, maar daarop heeft eiser zijn antwoord herhaald en is dat antwoord alsnog opgenomen in het rapport van het gehoor.
Conclusie
6.6.
Concluderend oordeelt de rechtbank dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hij voldoet dus niet aan artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Mocht de minister eiser tegenwerpen dat hij te lang had gewacht met het indienen van het asielverzoek?
7. Eiser vindt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij te lang heeft gewacht met het indienen van zijn asielaanvraag. Eiser was er fysiek en geestelijk ernstig aan toe toen hij in Nederland aankwam. Ook is hij enkele weken ziek geweest. De 48-uurstermijn kent geen unierechtelijke basis. De aanvraag mag niet worden afgewezen vanwege het enkele feit dat eiser de aanvraag niet direct heeft ingediend. Dit volgt uit artikel 10, eerste lid, van de Procedurerichtlijn.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister de afwijzing van de aanvraag heeft gebaseerd op artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en d, van de Vw 2000. Dit betekent dat, anders dan eiser stelt, het bestreden besluit niet is afgewezen op de enkele grond dat eiser zijn aanvraag niet ‘direct’ heeft ingediend. De rechtbank oordeelt dan ook dat het bestreden besluit alleen al daarom niet in strijd is met artikel 10, eerste lid van de Procedurerichtlijn.
7.1.1.
De rechtbank oordeelt verder dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat en waarom hij van mening is dat eiser zijn aanvraag te laat heeft ingediend en hij daarvoor geen verschoonbare reden heeft. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat het feit dat eiser niet wist hoe hij asiel moest aanvragen of hoe er in Nederland wordt gereisd die vertraging niet verschoonbaar maakt. Eiser had bij [persoon A] of anderen kunnen navragen hoe de procedure werkte of hoe hij moest reizen. De minister acht ook het feit dat eiser ziek is terecht niet verschoonbaar. Dit verklaart niet waarom hij tweeënhalve maand heeft gewacht met het indienen van zijn asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
7.2.
De rechtbank concludeert op basis van rechtsoverwegingen 6 tot en met 7.1.1 dat de minister eiser terecht niet het voordeel van de twijfel heeft gegund omdat hij zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met documenten en hij bovendien niet voldoet aan de voorwaarden c en d van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. De minister heeft daarom de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging?
8. Eiser betoogt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij geen gegronde vrees voor vervolging zou hebben. Eiser voert daartoe aan dat als hij als terugkeert naar Trinidad en Tobago dat een zekere dood zou betekenen. [persoon B] zal hem dan zeker doden. Trinidad en Tobago is gevaarlijk voor lhbti. Dat volgt uit de door eiser overgelegde nieuwsartikelen van diverse bronnen. Dat er niet veel mensen uit Trinidad en Tobago naar Nederland vluchten maakt dat niet anders. Eiser kan geen hulp krijgen van de politie omdat hij homoseksueel is. Als de politie eiser zou helpen zouden zij een dader van een misdrijf beschermen. Het hebben van seks met iemand van hetzelfde geslacht is strafbaar in Trinidad en Tobago. Dat blijkt uit de door eiser in beroep overgelegde nieuwsberichten en een screenshot van een pagina van Wikipedia met de titel: ‘LGBTQ rights in Trinidad and Tobago’.
8.1.
De minister heeft in zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser vanwege zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Dit is door eiser niet betwist. De door eiser in beroep overgelegde informatie ziet op de gevaren die volgen uit de ongeloofwaardig geachte asielmotieven, namelijk de gestelde seksuele gerichtheid en de problemen met [persoon B] . Deze kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Immers, enkel geloofwaardig geachte asielmotieven kunnen een gegronde vrees voor vervolging opleveren dan wel een reëel risico op ernstige schade. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond, omdat de minister de verklaring van [persoon A] niet kenbaar in de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 15 april 2025;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van der Lee, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vraag 8 op p. 18 van het nader gehoor.
Dit blijkt onder meer uit de inleidende opmerkingen op p. 2 en 3 van het nader gehoor.
P. 24 nader gehoor.
P. 24 nader gehoor.
P. 24 nader gehoor.
P. 13 nader gehoor.
P. 13 nader gehoor.
P. 26 nader gehoor.
P. 12 nader gehoor.
ABRvS 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1508, r.o. 3.1.
Werkinstructie 2019/7, par. 3.
Onder meer ABRvS 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3006, r.o. 4.3 en ABRvS 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1719, r.o. 18.
Waaronder een bericht van LGBTQ Nation van 28 maart 2025 en een bericht van de Trinidadexpress van 26 mei 2025 met de titel: Appeal Court rules buggery illegal in T&T.
Deze werkwijze volgt uit Werkinstructie 2024/6.
Beoordeling
Naar aanleiding van de opmerking van de tolk dat eiser af en toe mompelt en woorden niet duidelijk uitspreekt is aan eiser gevraagd of hij wat duidelijker wilde vertellen om de vertaling makkelijker te laten verlopen. Eiser heeft bovendien aan het eind van het gehoor expliciet bevestigd dat hij de tolk goed heeft kunnen verstaan. Dat eiser achteraf zegt dat hij dat uit beleefdheid heeft gedaan, blijkt verder niet uit de stukken. Niet uit de correcties en aanvullingen en niet uit zienswijze.
5.1.3.
De rechtbank concludeert dat het gehoor zorgvuldig is verlopen. De minister mocht het bestreden besluit dan ook baseren op hetgeen in dat gehoor is verklaard. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de minister eisers verklaringen over zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig achten?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat zijn verklaringen over zijn seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn. Hij voert daartoe argumenten aan die zien op enkele van de thema’s als benoemd in overweging 5.1. Eiser betwist niet alle punten die de minister hem tegenwerpt. Zo betwist eiser niet de conclusies van de minister dat hij vaag heeft verklaard over het ontdekken van zijn gerichtheid, of dat hij onvoldoende inzicht heeft gegeven over hoe het ontdekken van zijn gerichtheid voor hem was. Hij betwist evenmin dat hij vaag en wisselend heeft verklaard over zijn relatie met [persoon A] . Ook de conclusie dat hij onvoldoende aannemelijk heeft verklaard over de door hem ondervonden aanval door een bende in januari 2024 en onlogisch heeft verklaard over de reden waarom hij hiermee geen verdere problemen heeft gehad, wordt door eiser niet betwist. Eiser betwist evenmin het standpunt van de minister dat hij onvoldoende duidelijk heeft verklaard over de door hem gewenste uiting in Trinidad en Tobago.
6.1.
Eiser betwist wel de conclusie dat hij geen romantische relatie zou hebben met [persoon A] en verwijst hiertoe naar een tweetal verklaringen die deze relatie ondersteunen. Ook benadrukt eiser dat hij zijn seksuele gerichtheid uit in Nederland. Hij woont bijeenkomsten bij van het COC. Ook hiervan overlegt hij een verklaring in beroep. Dat het voorval met [persoon B] niet zou hebben plaatsgevonden en hij geen verdere problemen met [persoon B] zou hebben gehad wordt eveneens door eiser betwist. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser in beroep transcripts overgelegd van audioberichten met nieuwe bedreigingen van [persoon B] .
6.2.
De rechtbank gaat hierna eerst in op het antwoord op de vraag of de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eisers verklaringen over seksuele gerichtheid en daaruit voortvloeiende problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eisers betoog, de reactie van de minister en het oordeel van de rechtbank zal hierna per afzonderlijk thema worden besproken. De conclusie van de rechtbank volgt aan het eind onder 6.6. De eindconclusie over de geloofwaardigheid van eisers verklaringen volgt onder 7.2. Dit is na de bespreking van het antwoord op de vraag of de minister eiser mocht tegenwerpen dat hij zijn aanvraag te laat heeft ingediend.
Huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van lhbti-groepen in het land van herkomst.
6.3.
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte concludeert dat zijn huidige en toekomstige relaties ongeloofwaardig zijn. Hij heeft op dit moment een relatie met [persoon A] . Hij heeft bij zijn aanvraag een verklaring van [persoon A] overgelegd waaruit blijkt hoe het contact tussen hen is hersteld en hoe hun relatie is ontstaan. In beroep heeft eiser een verklaring overgelegd van [persoon C], een gemeenschappelijke vriendin. Ook [persoon C] verklaart over de relatie tussen eiser en [persoon A] . Eiser meent dat de minister deze verklaringen ten onrechte niet heeft betrokken in zijn beoordeling.
6.3.1.
De rechtbank stelt voorop dat in lhbti-zaken het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling ligt bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid. Dat laat echter onverlet dat de minister een integrale beoordeling moet maken en dat de vreemdeling zijn ontoereikende verklaringen kan compenseren met andere verklaringen en overgelegd bewijsmateriaal. Daarbij is vooral van belang of er informatie van feitelijke aard uit deze stukken volgt. De minister moet motiveren hoe rekening is gehouden met de ingebrachte verklaringen van derden. Dat volgt uit Werkinstructie 2019/17. Hieruit volgt ook dat steunbetuigingen op zichzelf geen toegevoegde waarde hebben.
6.3.2.
De rechtbank oordeelt dat uit het bestreden besluit niet blijkt niet dat de minister de verklaring van [persoon A] heeft betrokken in zijn oordeelsvorming waar hij dat wel had moeten doen. Dit blijkt, anders dan de minister stelt, ook niet uit het voornemen. In de opsomming van verstrekte documenten staat weliswaar: ‘Foto van betrokkene met een ander persoon (volgens verklaring, [persoon A] )’, echter, de rechtbank leest daarin niet dat de verklaring van [persoon A] is bedoeld. De rechtbank leest daarin dat is verklaard dat [persoon A] de andere persoon is die op de foto staat. Ook als wel wordt aangenomen dat met de tekst tussen haakjes is gedoeld op de verklaring van [persoon A] , maakt dat niet dat daaruit volgt de minister in het bestreden besluit rekening heeft gehouden met die verklaring. Uit die enkele opmerking blijkt niet dat en hoe de verklaring van [persoon A] is betrokken bij de beoordeling van eisers asielaanvraag en wat dat betekent voor de geloofwaardigheid van zijn relaas. Er is dus sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Dit betekent dat het beroep gegrond is en het besluit voor vernietiging in aanmerking komt.
6.3.3.
De rechtbank zal de rest van dit betoog en de overige beroepsgronden beoordelen in het licht van de vraag of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank zal daarbij het standpunt van de minister betrekken zoals dat ter zitting is ingenomen. De minister heeft zich, naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte, op het standpunt gesteld dat de verklaring van [persoon A] er niet toe leidt dat de minister wel volgt dat eiser een relatie met haar heeft. Het gaat hier om een verklaring van een (niet objectieve) derde waar de minister, terecht, beperkte bewijswaarde aan toekent. Uit die verklaring volgen geen nieuwe feiten of standpunten die nog niet bij de beoordeling zijn betrokken. Ook geeft deze verklaring onvoldoende inzicht in de relatie tussen [persoon A] en eiser. De rechtbank volgt ook de stelling van de minister dat het enkele feit dat die verklaring het betoog van eiser op onderdelen bevestigt onvoldoende is om te kunnen concluderen dat eisers betoog daarmee wel geloofwaardig is.
6.3.4.
De verklaring van [persoon C] is pas in beroep overgelegd. Ter zitting heeft de minister gereageerd op deze verklaring en deugdelijk gemotiveerd dat en waarom die verklaring het bestreden besluit niet wijzigt. De minister wijst hier terecht op het feit dat het hier gaat om een steunbetuiging van een vriendin waar een beperkte bewijswaarde aan toekomt. Uit die verklaring volgt ook geen informatie van feitelijke aard, maar een stelling dat dat eiser en [persoon A] ‘share a close relationship’. Uit die verklaring blijkt niet waarop [persoon C] die stelling baseert. De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de verklaring van [persoon C] daarom niet afdoende is om de ontoereikende verklaringen van eiser te kunnen compenseren.
Beoordeling
Contacten met lhbti’ers in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie.
6.4.
Met de in beroep overgelegde brief van het COC wil eiser aantonen dat hij in Nederland uiting geeft aan zijn seksuele gerichtheid en contact heeft met lhbti-vluchtelingen. Eiser bezoekt, ook samen met [persoon A] , bijeenkomsten van het COC en is daar heel actief in.
6.4.1.
De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat de minister aanneemt dat eiser COC bijeenkomsten bijwoont. Ook blijkt daaruit dat dit feit volgens de minister niet in positieve, maar ook niet in negatieve zin bijdraagt aan de geloofwaardigheid van zijn relaas. Eiser heeft dit laatste ook niet betwist. De minister heeft ter zitting toegelicht dat (de inhoud van) de brief het bestreden besluit niet wijzigt. Eiser werd ook zonder deze brief gevolgd in zijn stelling dat hij bijeenkomsten van het COC bijwoont. De rechtbank oordeelt dat de minister hiermee deugdelijk heeft gemotiveerd dat en waarom de overgelegde brief geen meerwaarde heeft en daarom de conclusie van de minister over geloofwaardigheid van eisers relaas niet wijzigt. De beroepsgrond slaagt niet.
Discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst
6.5.
Eiser betoogt dat de minister zijn verklaringen over de bedreiging door [persoon B] ten onrechte ongeloofwaardig acht. Eiser heeft zeer ernstige problemen ondervonden door zijn seksuele gerichtheid. Nadat zijn relatie met een andere man uitkwam is eiser ontvoerd door diens broer [persoon B] en voor dood achtergelaten in een ravijn. Ook heeft [persoon B] eiser bedreigd per sms. Dat dit zo is blijkt uit de bewijzen die eiser heeft overgelegd bij zijn gehoor. Dat die berichten afkomstig zijn van [persoon B] weet eiser omdat hij [persoon B] heeft herkend bij de aanval. In de sms-berichten wordt naar die aanval verwezen. Eiser wordt nog steeds bedreigd door [persoon B] en vreest dat [persoon B] hem zal doden als hij terugkeert naar Trinidad en Tobago. Eiser heeft in beroep transcripts overgelegd van audioberichten met nieuwe bedreigingen. Dat ook deze berichten van [persoon B] komen blijkt, aldus eiser, uit inhoud van die berichten. Uit door eiser overgelegde informatie blijkt dat het netnummer van het telefoonnummer waarmee is het bericht is verstuurd hoort bij Trinidad en Tobago.
6.5.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep zijn verklaringen over zijn seksuele gerichtheid en de problemen die hij als gevolg daarvan heeft ondervonden herhaalt. Deze verklaringen zijn al betrokken in het bestreden besluit. Het enkele herhalen daarvan is geen gemotiveerde betwisting van het bestreden besluit. Eiser heeft daarmee niet uitgelegd waarom de weerlegging van die verklaringen en standpunten in het bestreden besluit onjuist dan wel onvolledig zou zijn. Deze verklaringen en standpunten kunnen dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
6.5.2.
Over de in beroep overgelegde transcripts overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank oordeelt dat de minister zich ter zitting niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ook de in beroep overgelegde transcripts van Whatsapp-berichten geen aanleiding geven om het relaas van eiser anders te beoordelen. De minister wijst hierbij terecht op het feit dat uit die berichten de herkomst daarvan niet valt te herleiden. Hieruit blijkt niet door wie ze zijn verstuurd. Dit blijkt niet uit de telefoonnummers en niet uit de afbeelding in Whatsapp. De minister heeft hierbij ook terecht benadrukt dat de berichten zijn verstuurd vanaf andere telefoonnummers dan de berichten die eiser bij zijn gehoor heeft laten zien. De stellingen van eiser dat [persoon B] zijn berichten wel met een ander nummer moest versturen omdat eiser het eerste telefoonnummer heeft geblokkeerd en dat de berichten zijn verstuurd vanaf een Whatsapp-account met een Trinidadaans netnummer, doen aan het voorgaande niets af. Dat zegt immers niet dat de berichten ook door [persoon B] zijn verstuurd. De minister heeft ter zitting terecht benadrukt dat iedereen vanaf elke telefoon een Whatsapp-account kan aanmaken. De beroepsgrond slaagt niet.