Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:17273
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,395 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 24-7731 (gezagsuitoefening) en FA RK 24-8543 (alimentatie)
Zaaknummers: C/09/674800 (gezagsuitoefening) en C/09/676409 (alimentatie)
Datum beschikking: 24 juni 2025
Hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, vervangende
toestemming vakantie en kinderalimentatie
Beschikking op het:
1. op 28 oktober 2024 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. W.H.P. de Jongh te Roosendaal
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.H.P.C. Glaudemans te Delft .
2. op 26 november 2024 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.H.P.C. Glaudemans te Delft .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.H.P. de Jongh te Roosendaal.
Procedure
Bij beschikking van 19 december 2024 van deze rechtbank:
- is/zijn in de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/674800 / FA RK 24-7731:
o bepaald dat de minderjarige [de minderjarige] voorlopig bij de vader zal zijn: om het weekend van vrijdagmiddag 16.00 uur (of 15.00 uur) tot zondag 17.00 uur;
o bepaald ten aanzien van de kerstdagen dat [de minderjarige] eerste kerstdag bij de moeder zal doorbrengen en tweede kerstdag bij de vader;
o partijen verwezen naar de voor hen bekende mediator om afspraken te maken over de definitieve zorgregeling en de door de vader voorgestelde vakantie met [de minderjarige] naar Disneyland en om hun onderlinge communicatie te verbeteren;
o iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de definitieve zorgregeling, de jaarwisseling en de vakantie naar Disneyland Parijs pro forma aangehouden.
- is in de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/676409 / FA RK 24-8543:
o bepaald dat de vader aan de moeder, met ingang van 19 december 2024, een voorlopige kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 200,- per maand zal betalen;
o iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitieve kinderalimentatie pro forma aangehouden.
De rechtbank heeft nogmaals kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
het verweerschrift van de vader betreffende de kinderalimentatie;
het F9-bericht van 13 mei 2025, met bijlagen, van de moeder;
het F9-bericht van 16 mei 2025, met bijlagen, van de vader.
Op 27 mei 2025 is de mondelinge behandeling van de zaak op een zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking van 19 december 2024 is overwogen en beslist, voor zover in onderhavige beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Aan de rechtbank ligt nog voor het verzoek van de vader om vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie met [de minderjarige] naar Disneyland Parijs in de week van 28 april tot en met 4 mei 2025. Dit verzoek zal de rechtbank wegens gebrek aan belang afwijzen. Deze vakantie heeft immers al plaatsgevonden, nadat de voorzieningenrechter daarvoor toestemming heeft verleend bij vonnis van 17 april 2025.
Aan de rechtbank ligt ook nog voor het verzoek van de moeder om aan haar vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] in te schrijven op een kinderdagverblijf in [woonplaats 2] . Op de zitting is door de advocaat van de moeder echter onweersproken gesteld dat de vader hiervoor inmiddels al zijn toestemming heeft verleend, zodat het verzoek wegens gebrek aan belang zal worden afgewezen.
Aan de rechtbank liggen tenslotte ook nog voor de verzoeken van de vader om vastelling van een zorgregeling (co-ouderschap en de jaarlijkse verdeling van de kerstdagen en jaarwisseling) en de zelfstandige verzoeken van de moeder betreffende vaststelling van de zorgregeling en om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen. Ook ligt nog aan de rechtbank voor het verzoek van de moeder om een door de vader te betalen kinderalimentatie vast te stellen. Naar de rechtbank begrijpt heeft de moeder, met de door haar ingediende stukken van 13 mei 2025, haar verzoek aangepast, in die zin dat zij primair verzoekt om een kinderalimentatie van € 502,- per maand en subsidiair € 445,- per maand.
De rechtbank zal deze verzoeken hierna beoordelen.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hierover op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten: een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) of de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Hoofdverblijfplaats
De moeder verzoekt om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen. Omdat [de minderjarige] sinds het uit elkaar gaan van partijen bij de moeder verblijft en de vader geen concrete bezwaren tegen het verzoek van de moeder heeft geuit, zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen. Er is namelijk niet gebleken dat dit in strijd zou zijn met de belangen van [de minderjarige] .
Zorgregeling
Op grond van de stukken en dat wat op de zitting is besproken stelt de rechtbank het volgende vast. Het is de ouders helaas niet gelukt om in het mediationtraject afspraken te maken over de definitieve zorgregeling en om de onderlinge communicatie/verstandhouding te verbeteren. Het traject is in de loop van januari 2025 al beëindigd. De vader woont inmiddels in [woonplaats 1] . Hij is daar ingetrokken bij zijn huidige partner en haar 3 minderjarige kinderen. De vader realiseert zich dat de door hem verzochte co-ouderschapsregeling hierdoor niet langer realistisch is. De moeder woont samen met [de minderjarige] bij haar ouders in [woonplaats 2] .
De communicatie tussen de ouders verloopt nog altijd zeer moeizaam. De moeder heeft de vader geblokkeerd op haar telefoon, omdat hij volgens haar verwijtende en denigrerende berichten aan haar stuurde. Om die reden verloopt de communicatie met de vader nu via oma moederszijde. Gebleken is dat de slechte communicatie er ook toe heeft geleid dat de ouders niet onderling communiceren over voor [de minderjarige] benodigde mediatie. Dat vindt de rechtbank zorgelijk.
Beide ouders hebben in dit verband op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
Ten aanzien van de vast te stellen definitieve zorgreling acht de rechtbank – gelet op de huidige omstandigheden waarin de vader ruim 150 kilometer van [woonplaats 2] vandaan woont – een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [de minderjarige] . De huidige voorlopige regeling, waarbij [de minderjarige] om het weekend van vrijdagmiddag tot zondagmiddag bij haar vader is, is onder deze omstandigheden realistischer en rustiger voor [de minderjarige] . De vader zal [de minderjarige] halen en brengen. Op de zitting zijn de ouders overeengekomen dat het startmoment op de vrijdag voortaan om 10.00 uur zal zijn in plaats van ’s middags (16.00 uur). Ook zijn de ouders overeengekomen dat de vader elke woensdagavond tussen 18.00-18.30 uur een videobelmoment met [de minderjarige] zal hebben, in aanwezigheid van oma moederszijde.
Ten aanzien van de verdeling van vakanties en de feestdagen in december zijn de ouders samen overeengekomen dat [de minderjarige] – totdat zij naar de basisschool gaat – in totaal vier vakantieweken met de vader doorbrengt: 2 weken in de zomervakantie, 1 week rond kerst en oud & nieuw en nog 1 extra week (bijvoorbeeld in mei). Omdat de vader in 2025 al met [de minderjarige] naar Eurodisney is geweest, blijven voor dit jaar de zomervakantie en de kerstvakantie over.
De moeder gaat er niet mee akkoord dat [de minderjarige] in de zomervakantie twee achtereenvolgende weken bij de vader verblijft, zoals de vader graag wil, omdat [de minderjarige] na 9 dagen Eurodisney thuiskwam met een oorontsteking, waar de vader haar niet over had geïnformeerd. De rechtbank acht het echter in het belang van [de minderjarige] dat zij in de zomervakantie een langere periode bij haar vader kan zijn, zodat de rechtbank zal beslissen dat [de minderjarige] (zolang zij nog niet naar de basisschool gaat) twee achtereenvolgende weken in de zomervakantie bij de vader zal zijn. De bezwaren die de moeder hiertegen heeft geuit vindt de rechtbank, hoe invoelbaar ook, niet dusdanig ernstig dat de zomervakantie daarom moet worden opgesplitst in twee aparte weken.
Ten aanzien van de kerstvakantie zal de rechtbank bepalen dat [de minderjarige] elk jaar eerste kerstdag bij de moeder is en tweede kerstdag bij de vader en de jaarwisseling afwisselend bij de vader en de moeder. Verder zal [de minderjarige] in deze vakantie 1 week bij haar vader zijn, waarbij de ouders in onderling overleg bepalen wanneer dit zal zijn.
Partijen zijn het erover eens dat, zodra [de minderjarige] naar school gaat, de vakanties dan in onderling overleg bij helfte tussen de ouders zullen worden verdeeld.
De rechtbank zal het bovenstaande in deze beschikking vastleggen.
Kinderalimentatie
De moeder verzoekt een door de vader te betalen kinderalimentatie van € 466,- per maand vast te stellen. Volgens de vader is hij maximaal in staat een maandelijkse bijdrage van € 259,- aan de moeder te betalen voor [de minderjarige] .
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt.
Dictum
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 19 december 2024 – :
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] ,
wonende aan [adres 1] , [postcode 1] te [woonplaats 1]
en
[de moeder] ,
wonende aan de [adres 2] , [postcode 2] te [woonplaats 2] ;
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
- Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
*
bepaalt dat de minderjarige: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] ,
de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] bij de vader zal zijn:
om de week van vrijdagochtend 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;
in de vakanties zolang zij nog niet naar school gaat:
- gedurende twee aansluitende weken in de zomervakantie;
- vanaf 2026 gedurende één week naar keuze (bijvoorbeeld in mei);
- gedurende de kerstvakantie één week, waarbij geldt dat dat [de minderjarige] elk jaar eerste kerstdag bij de moeder is en tweede kerstdag bij de vader en de jaarwisseling afwisselend bij de vader en de moeder;
- als [de minderjarige] naar school gaat zullen de schoolvakanties in onderling overleg bij helfte worden gedeeld met dien verstande dat [de minderjarige] elk jaar eerste kerstdag bij de moeder is en tweede kerstdag bij de vader en de jaarwisseling afwisselend bij de vader en de moeder;
waarbij geldt dat de vader zorgdraagt voor het halen en terugbrengen van [de minderjarige] ;
- videobelcontact met de vader heeft: elke woensdagavond tussen 18.00 uur en 18.30 uur, in aanwezigheid van oma moederszijde;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 387,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G.J. Konings als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2025.
Beoordeling
De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen daarbij het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
Gelet op de over en weer ingenomen standpunten ziet de rechtbank aanleiding om de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de beschikkingsdatum, te weten 23 juni 2025.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun samenleving worden bepaald.
Tussen partijen is niet in geschil dat het NBI van de moeder in 2024 € 1.765,- per maand bedroeg, zodat de rechtbank dat zal volgen.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 47.665,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2024. Anders dan de moeder houdt de rechtbank geen rekening met € 2.628,- voor door de vader verricht overwerk, omdat daarvan niets uit zijn jaaropgave blijkt.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van de samenleving op € 3.077,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2024 dus € 4.842,- per maand (€ 1.765 + € 3.077). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 17,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024, leidt het voorgaande tot een forfaitair tabelbedrag van € 696,- per maand voor [de minderjarige] . Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 741,- per maand.
De moeder stelt dat het tabelbedrag moet worden verhoogd met de netto kinderopvangkosten van [de minderjarige] .
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat in het tabelbedrag alle normale kosten zijn begrepen. De ‘normale’ kosten van de kinderopvang worden dus geacht te zijn verwerkt in het tabelbedrag. Zodanige hoge kosten voor kinderopvang/-oppas in verband met de verwerving van inkomsten die niet (volledig) gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten, kunnen leiden tot een correctie op het tabelbedrag.
De rechtbank is van oordeel dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd waarom de door haar gemaakte netto opvangkosten niet geacht kunnen worden (volledig) te zijn verdisconteerd in het tabelbedrag en niet gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten. De enkele stelling dat de moeder als alleenstaande ouder niet in staat is deze kosten te compenseren door lagere uitgaven op andere posten is daarvoor onvoldoende. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het tabelbedrag te verhogen.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht moeder
Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de moeder in 2025 € 246,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank dat zal volgen.
Draagkracht vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 4.028,- bruto per maand exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de meest recente salarisspecificatie over april 2025.
De rechtbank houdt verder rekening met:
de pensioenpremie van € 278,- per maand;
de premie WIA/WN verzekering van € 10,- per maand;
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 3.177,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De vader heeft bij de berekening van zijn draagkracht € 343,- aan extra kosten opgevoerd, namelijk € 193,- per maand reiskosten voor het halen/brengen van [de minderjarige] en € 150,- vanwege kosten die hij maakt voor de kinderen van zijn huidige partner.
De rechtbank zal in de draagkrachtberekening alleen rekening houden met de maandelijkse reiskosten van de vader, omdat door de moeder niet wordt betwist dat de vader met deze kosten wordt geconfronteerd en de vader volgens de zorgregeling is belast met het halen en brengen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de kosten mee te nemen die de vader maakt voor de kinderen van zijn partner.
De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [3.177 – (0,3 x 3.177 + 1.310 + 193)] = € 505,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 751,- per maand (€ 246 + € 505). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 505 / 751 x 741 = € 498
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 246 / 751 x 741 = € 243
samen € 741
Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 498,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 243, per maand komt voor rekening van de moeder.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de vader – gelet op de in deze beschikking vastgelegde zorgregeling – gemiddeld een dag per week de zorg heeft voor [de minderjarige] , geldt een percentage van 15%. De zorgkorting bedraagt dan € 111,- per maand (15% van € 741,-).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de vader te betalen bijdrage bedraagt dan € 387,- per maand (€ 498 -/- € 111). De rechtbank zal het verzoek van de moeder tot dit bedrag toewijzen en voor het meerdere afwijzen.