Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:17257
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,226 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8237
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H.C. van Asperen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.P. Arts).
Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
1. Eiser is geboren op [datum] 2000 en heeft de Egyptische nationaliteit. Op 4 april 2022 heeft hij een asielaanvraag ingediend.
2. Aan de asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft een relatie met een Marokkaanse vrouw en zij hebben samen een kind gekregen, zonder dat eiser met zijn vriendin in het huwelijk is getreden. Het kind van eiser zal in Egypte niet worden erkend, omdat zij buiten het huwelijk is geboren. Er zal over eiser en zijn kind geroddeld worden en het kind zal later moeilijkheden ondervinden in Egypte. Verder is eiser dienstplichtig in Egypte, maar hij wil de dienstplicht niet vervullen. Eiser vreest dat hij bij terugkeer vervolgd zal worden wegens dienstweigering.
3. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eiser een buitenechtelijke liefdesrelatie en een buitenechtelijk kind heeft. Dat eiser dienstplichtig is in Egypte, heeft verweerder eveneens geloofwaardig geacht. Dit leidt volgens verweerder echter niet tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. Verweerder heeft daarom de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
4. Eiser voert het volgende aan. Eiser vreest bij terugkeer naar Egypte voor ernstige problemen in verband met de militaire dienstplicht. Uit het algemeen ambtsbericht Egypte van de minister van Buitenlandse Zaken van november 2021 (hierna: ambtsbericht) blijkt dat dienstplichtontduiking strafbaar is en beschouwd wordt als dienstweigering. Uit de Egyptische wetgeving blijkt niet precies wat de strafmaat is voor dienstweigering, dus aan eiser kan niet worden tegengeworpen dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt welke straf hem mogelijk staat te wachten. Wel blijkt uit de Egyptische strafwetgeving dat sprake kan zijn van onevenredige bestraffing. Dat verweerder stelt dat in het ambtsbericht staat dat in de praktijk een boete gangbaar is als straf, kan niet als deugdelijke motivering worden aangemerkt nu dit niet volgt uit de Egyptische wetgeving. Eiser zal bij terugkeer het risico lopen om gearresteerd te worden, waarna hij gevangen gezet kan worden of alsnog de dienstplicht moet vervullen. Vanwege het risico op detentie en gezien de slechte gevangenisomstandigheden in Egypte moet aan eiser een verblijfsvergunning asiel worden verleend. Verder heeft verweerder voor de buitenechtelijke relatie en het buitenechtelijke kind van eiser ten onrechte verwezen naar een fatwa van Dar Al Itfaa, omdat er geen onderbouwing is van de invloed en het gezag van deze instantie in Egypte. Bovendien bevestigt deze fatwa dat seksuele relaties buiten het huwelijk strikt verboden zijn en dat dergelijk gedrag moet worden bestraft. Eiser en zijn vriendin lopen bij terugkeer naar Egypte dan ook een risico op vervolging, zelfs als zij gehuwd zijn. Een toekomstig huwelijk zal namelijk niets veranderen aan het feit dat hun kind buiten het huwelijk is geboren. Tot slot is de weigering om aan eiser een verblijfsvergunning regulier te verlenen in strijd met artikel 8 van het EVRM.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Militaire dienst
5. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing vanwege onttrekking aan de dienstplicht. Verweerder heeft terecht gewezen op het ambtsbericht waarin staat dat het niet vervullen van de dienstplicht kan leiden tot een geldboete of een gevangenisstraf van maximaal twee jaren en dat volgens een bron in de praktijk een geldboete de gangbare straf is. Dat eiser stelt dat dat dit niet volgt uit Egyptische wetgeving, maakt dit niet anders. Het gaat er immers om wat eiser feitelijk heeft te verwachten bij terugkeer naar het land van herkomst. Eiser heeft geen andersluidende informatie over de praktijk van vervolging of bestraffing wegens het niet vervullen van de militaire dienstplicht overgelegd. Uit de informatie over de mogelijke bestraffing volgt dan ook niet dat eiser een gegronde vrees heeft voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing. Verder heeft verweerder terecht erop gewezen dat uit het ambtsbericht blijkt dat de Egyptische overheid niet actief zoekt naar dienstplichtigen die hun dienstplicht ontduiken. Gelet op deze informatie heeft verweerder in het bestreden besluit terecht het standpunt ingenomen dat niet gevolgd wordt dat eiser een groot risico loopt om opgepakt en vervolgd te worden alvorens hij alsnog in dienst te moeten. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een gevangenisstraf krijgt, wordt eiser ook niet gevolgd in zijn stelling dat de gevangenisomstandigheden in Egypte redengevend moeten zijn voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.
Buitenechtelijke relatie en kind
6. Verweerder heeft verder terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM vanwege zijn buitenechtelijke relatie en kind. Niet is gebleken dat dit voor eiser problemen zal opleveren die onder artikel 3 van het EVRM vallen. Verder is van belang dat eiser heeft verklaard dat hij met zijn vriendin wenst te trouwen. Hoewel eiser heeft gesteld dat het tot op heden niet is gelukt om met zijn vriendin te trouwen door praktische beletselen, heeft hij niet met stukken onderbouwd dat het voor hem niet mogelijk is om met zijn vriendin te trouwen. Zoals verweerder heeft uiteengezet in het bestreden besluit, volgt uit het ambtsbericht dat het na het huwelijk mogelijk moet zijn om het kind te registreren. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit een fatwa van Dar Al Iftaa volgt dat na het huwelijk en de erkenning van het kind minder sprake zal zijn van discriminatie en stigmatisering, omdat een kind niet de dupe mag worden van de zondes van haar ouders. Ten aanzien van de legitimiteit van deze fatwa heeft verweerder ter zitting terecht verwezen naar het ambtsbericht, waaruit blijkt dat het Dar Al Iftaa een van de vier instanties is die geautoriseerd is om fatwa’s uit te spreken in Egypte.
Verblijfsvergunning regulier
7. Gebleken is dat aan eiser een verblijfsvergunning regulier is verleend met het verblijfsdoel ‘gezinslid kinderbeschermingsmaatregel’. Deze verblijfsvergunning is geldig van 22 april 2025 tot 11 december 2025. Nu eiser tot 11 december 2025 in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier, kan een schending van artikel 8 van het EVRM momenteel niet aan de orde zijn. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat verweerder aanleiding had moeten zien om aan hem een andere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM te verlenen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 17 september 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
Pagina 52 van het ambtsbericht.