Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:17154
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,868 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.40170
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [datum],
Congolese nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. M. Dalhuizen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser heeft op 1 juli 2013 asiel aangevraagd. Bij besluit van 13 mei 2014 is deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is op 18 december 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 februari 2015 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) de uitspraak bevestigd.
3. Op 20 februari 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling. Bij besluit van 2 april 2020 is deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is op 22 december 2020 ongegrond verklaard en staat in rechte vast.
4. Op 28 juni 2022 heeft eiser een aanvraag om toepassing van artikel 64 Vw ingediend. Met het besluit van 19 mei 2023 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 oktober 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen voornoemd besluit.
6. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Beoordeling
7. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers aanvraag om uitstel van vertrek op grond van Artikel 64 van de Vw.
8. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
9. Namens eiser is op 28 juni 2022 de onderhavige aanvraag om uitstel van vertrek ingediend. Omdat niet alle benodigde stukken en gegevens waren overgelegd, heeft de minister eiser bij brief van 5 juli 2022 in de gelegenheid gesteld de ontbrekende stukken en gegevens alsnog te verstrekken. De daarvoor gestelde termijn is verlengd tot 16 augustus 2022 en daarna tot 31 augustus 2022. Op 31 augustus 2022 heeft eiser aanvullende informatie ingezonden.
9.1.
Bij nota van 26 september 2022 heeft het BMA aangegeven dat er medische gegevens ontbreken, en dat daarom geen medisch advies kan worden uitgebracht. De minister heeft eiser bij brief van 28 september 2022 in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen met de ontbrekende stukken. Eiser is in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 12 oktober 2022 de gevraagde stukken aan te leveren. Aan eiser is vervolgens uitstel verleend tot 26 oktober 2022 en daarna tot 27 januari 2023.
9.2.
Bij brief van 24 januari 2023 verzoekt de gemachtigde van eiser om BMA de opdracht te geven om het oordeel te beperken tot de psychische problematiek en de medische ingreep vanwege een mogelijke liesbreuk buiten beschouwing te laten.
9.3.
Op 30 januari 2023 heeft de minister het BMA verzocht om medisch advies uit te brengen ten aanzien van eisers psychische problematiek en de medische ingreep vanwege een mogelijke liesbreuk buiten beschouwing te laten. Nadat het BMA op 31 januari 2023 heeft bericht dat er een update nodig is van de medische gegevens, is eiser op 3 februari 2023 in de gelegenheid gesteld om een update van de medische gegevens te overleggen. Op 9 februari 2023 heeft eiser gereageerd met toestemmingsverklaringen. Bij brief van 27 februari 2023 is uitstel verleend tot 14 maart 2023. Op 8 maart 2023 heeft eiser medische gegevens overgelegd.
10. Bij nota van 30 maart 2023 heeft het BMA een advies uitgebracht. De BMA-arts heeft bij het opstellen van het advies gebruik gemaakt van informatie afkomstig van de behandelaar van eiser, te weten zijn psychiater [naam], psychiater van GGZ Drenthe ´De [naam]´.
In het advies vermeldt het BMA onder andere dat eiser lijdt aan psychische klachten die voortkomen uit PTTS (inslaapproblemen, nachtmerries, stemmen, angst, schrikachtigheid, prikkelbaarheid, piekeren en niet kunnen genieten). Eiser wordt voor deze klachten behandeld en krijgt medicatie. Het BMA verwacht bij het uitblijven van de medische behandeling geen medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden, omdat hiervoor vanuit het toestandsbeeld zelf en de voorgeschiedenis onvoldoende aanwijzingen zijn. Volgens het BMA kan eiser reizen. Het BMA beveelt daarbij aan dat eiser een schriftelijke overdracht van medische gegevens meeneemt, de medicatie tijdens de reis voortzet en voldoende medicatie meeneemt om de periode van de reis te overbruggen.
11. Bij besluit van 19 mei 2023 heeft de minister de aanvraag afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar ingediend en de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij uitspraak van 10 november 2023 toegewezen, nu de minister zich niet heeft verzet tegen toewijzing en er geen beletselen waren om de voorlopige voorziening toe te wijzen.
11. Op 16 mei 2024 heeft eiser een reguliere aanvraag ingediend voor verblijf bij zijn ongehuwde partner.
11. Op 29 mei 2024 heeft de minister eiser verzocht of er een wijziging heeft plaatsgevonden in zijn medische situatie, behandeling of medicatie van eiser ten opzichte van het laatste BMA-advies van 30 maart 2023.
11. Op 17 juli 2024 heeft eiser een toestemmingsverklaring medische gegevens ingevuld.
14.1.
Bij nota van 17 september 2024 heeft het BMA bericht dat zij geen informatie heeft ontvangen van [naam], psychiater, en dat daarom geen medische advies kan worden uitgebracht. Eiser is daarom in de gelegenheid gesteld om de medische gegevens uiterlijk op 1 oktober 2024 alsnog te overleggen. Eiser heeft hierop niet gereageerd en heeft geen nieuwe stukken overgelegd.
15. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard onder verwijzing naar het BMA advies van 30 maart 2023.
Mocht de minister in het bestreden besluit afgaan op het BMA-advies?
16. Eiser stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de minister het BMA-advies van 30 maart 2023 niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. De brief van 17 september 2024 is onbeantwoord gebleven door een misverstand bij eisers gemachtigde, waardoor de gestelde termijn is gemist. Gelet op de verstrekkende gevolgen en het verloop van de procedure waarin er meerdere malen contact is geweest, had de minister vanuit het oogpunt van de zorgvuldigheid opnieuw contact kunnen zoeken met eiser, te meer nu het BMA-advies dateert van 30 maart 2023 en het bij de minister reeds bekend was dat eiser onder behandeling was bij mevrouw [naam] Dit blijkt onder andere uit de toestemmingsverklaring, maar dit blijkt ook uit de aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning voor verblijf bij de partner van eiser. Volgens eiser heeft de minister in deze langlopende zaak dan ook een te strikte benadering gehanteerd door de formele weg te bewandelen, zonder rekening te houden met de bijzondere omstandigheden. Eiser merkt verder op dat het verzoek om informatie tijdens de zomervakantie is verstuurd, waardoor het eveneens in de rede had gelegen om even te bellen of mailen waarom er niet op de brief van 17 september 2024 was gereageerd. De informatie van mevrouw [naam] was onontbeerlijk voor een gedegen BMA-advies. Eiser heeft bij aanvullende gronden de reactie van mevrouw [naam], d.d. 17 oktober 2024, overgelegd. Uit dit advies blijkt dat weliswaar sprake is van verbetering, maar dat behandeling desondanks nog noodzakelijk is. Dat de minister het advies niet alsnog in de beoordeling heeft betrokken is volgens eiser onzorgvuldig.
16.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat het BMA in zijn protocol adviseert om in beginsel geen beslissingen te nemen op basis van een medisch advies dat ouder is dan zes maanden, omdat de medische situatie van de vreemdeling in die periode kan zijn gewijzigd. Indien echter de medische situatie ongewijzigd is gebleven, kan een ouder advies zijn geldigheid behouden en hoeft geen nieuw advies te worden gevraagd. In dit geval ligt tussen het BMA-advies van 30 maart 2023 en het bestreden besluit van 22 juli 2024 een periode van ruim een jaar. Uit het BMA-protocol volgt echter niet dat een advies dat ouder is dan zes maanden reeds om die reden niet meer aan een besluit ten grondslag mag worden gelegd. Van belang is immers of de medische situatie is gewijzigd. Het BMA heeft om deze reden verzocht om medische informatie. Eiser heeft echter niet gereageerd op het informatieverzoek van 17 september 2024. Ook heeft eiser niet om uitstel verzocht. Daardoor zijn de door het BMA gestelde vragen onbeantwoord gebleven en heeft het BMA het verzoek om een nieuw advies wegens gebrek aan gegevens niet verder in behandeling kunnen nemen. Omdat er, ondanks herhaalde informatieverzoeken, geen nieuwe medische stukken zijn ingebracht waaruit volgt dat de medische situatie van eiser wezenlijk is veranderd, mocht de minister zich in het onderhavige geval baseren op het BMA-advies van 30 maart 2023. De rechtbank acht hierbij eveneens van belang dat in de gronden van beroep wordt verwezen naar een e-mail van 26 juni 2024 waarin de gemachtigde van eiser aan de minister heeft laten weten dat er geen relevante wijzigingen in de gezondheidssituatie zijn.
Conclusie
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van de minister om eiser geen uitstel van vertrek te verlenen in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
AWB 14/13481.
AWB 20/3599.
Bureau medische advisering.
Posttraumatische stressstoornis.
ECLI:NL:RBDHA:2024:14940.