Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:1714
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,064 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3674
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.S.S. de Kok),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 25 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1983 en de Turkse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware grond is in de maatregel vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist zware grond 3a. Hiertoe voert hij aan dat hij op 20 januari 2025 een terugkeerbesluit uitgereikt heeft gekregen. In dit terugkeerbesluit is aan hem een vertrektermijn van 28 dagen gegeven, zodat hij ten tijde van de oplegging van de maatregel van bewaring rechtmatig verblijf had.
4. De rechtbank stelt vast dat zware grond 3a ziet op de wijze waarop een vreemdeling Nederland inreist. Eiser beschikt niet over een paspoort of visum waarmee hij Nederland mocht inreizen. Verder verklaart hij in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring dat hij op illegale wijze Nederland is ingereisd en via Nederland naar Engeland wilde afreizen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder de zware grond 3a, naast de lichte gronden, terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Deze gronden zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring om een significant risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Ambtshalve toets
5. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 10 februari 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Proces-verbaal van gehoor van 25 januari 2025, p. 4 van 7.