Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:17121
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,097 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24215
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Pols).
Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft door middel van een door hem ondertekende afstandsverklaring afstand gedaan van zijn recht om gehoord te worden en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995.
Grondslag ophouding
2. Eiser voert aan dat de grondslag van de ophouding, artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000, onjuist is en artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 had moeten zijn. Eiser is namelijk met een laissez-passer (lp) vanuit Duitsland aan Nederland overgedragen en aan de hand van de biometrische gegevens uit Eurodac en gegevens van de Duitse autoriteiten is duidelijk wie hij is.
3. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. De rechtbank stelt vast dat eiser niet beschikt over enig identificerend document en het lp ook niet is opgesteld aan de hand van identificerende documenten. Daarnaast blijkt uit de biometrische gegevens in Eurodac dat eiser verschillende aliassen (heeft) gebruikt zoals Hamza Baimad, Hamza Feghoul en Hamza Farou, wat maakt dat zijn identiteit niet onmiddellijk kan worden vastgesteld en verweerder hem op grond van artikel 50, tweede lid van de Vw 2000 mag ophouden.
De gronden van de maatregel
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Verweerder heeft ter zitting de zware gronden onder 3f vallen.
6. Eiser voert aan dat de zware gronden en de lichte gronden die aan de bewaringsmaatregel ten grondslag zijn gelegd feitelijk onjuist zijn dan wel onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.
7. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Wat de zware grond 3a betreft heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet op de voorgeschreven wijze is ingereisd. Eiser is met een lp aan Nederland overgedragen in het kader van de Dublinverordening. Dit is niet de voorgeschreven wijze om Nederland binnen te komen. Over de zware grond onder 3b heeft verweerder gemotiveerd dat eisers asielaanvraag met een besluit van 16 juli 2024 is afgewezen en een terugkeerbesluit is opgelegd. Vervolgens is eiser op 28 juli 2024 met onbekende bestemming vertrokken, waarna hij op 27 mei 2025 door de Duitse autoriteiten aan Nederland is overdragen. De omstandigheid dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken, maakt al dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de zware gronden onder 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft mogen leggen en dat deze gronden feitelijk juist zijn en in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd. Deze twee zware gronden zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen. De rechtbank laat de overige door eiser betwiste zware en lichten gronden om die reden verder onbesproken.
Lichter middel
9. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel doeltreffend kon worden toegepast. Eiser heeft psychische klachten en problematiek, waaronder verslavingsproblematiek, waardoor hij afhankelijk is van medicatie, zoals Lyrica en Rivotril.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Eiser heeft voorafgaand aan de maatregel van bewaring verklaard dat hij een beetje ziek is, een beetje psychische klachten heeft en dagelijks Rivotril en Lyrica gebruikt, omdat het anders niet goed met hem gaat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze omstandigheden voldoende bij de oplegging van de maatregel heeft betrokken. Verweerder heeft ten aanzien van de medische (psychische) problemen van eiser en het gebruik van Lyrica en Rivotril gemotiveerd dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij en gespecialiseerde zorg aanwezig is voor mensen met psychische problemen. Indien zich onverhoopt psychiatrische klachten voordoen kan de behandeling in de detentie- en uitzetcentra worden aangevraagd, aangevangen dan wel worden voortgezet. Als zorg niet voldoende kan worden gegeven, wordt betrokkene overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Daarbij is ter zitting weliswaar gesteld dat eiser desgevraagd niet de gewenste medicatie heeft gekregen, maar is niet gebleken van een noodzaak tot verstrekking of de nadelige gevolgen vanwege het niet verstrekken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
11. De rechtbank is verder niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Ambtshalve toets en conclusie
12. De rechtbank overweegt tot slot dat ook de verdere ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel niet tot de conclusie leidt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.W.M. Heyman, rechter, in aanwezigheid van
J.M.M. Versteegh - Janssen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 juni 2025.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RVS:2020:829.