Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:17041
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,272 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40566
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 13 september 2017 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Met het besluit van 25 oktober 2023 is deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Het beroep van eiser is bij uitspraak van 21 januari 2024 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 februari 2024 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep ongegrond verklaard. Het besluit van 25 oktober 2023 staat hiermee in rechte vast.
3. Eiser heeft op 6 mei 2024 een herhaalde asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 19 augustus 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Er is ook een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]. Eiser behoort tot de [bevolkingsgroep] bevolkingsgroep. Eiser vraagt opnieuw asiel aan, omdat hij nu beter kan verklaren over zijn seksuele gerichtheid. In eisers vorige asielprocedure heeft hij gezegd biseksueel te zijn, maar eiser is eigenlijk homoseksueel. Eiser heeft ook een homoseksuele relatie gehad. Eiser heeft daarnaast verschillende documenten overgelegd waaruit zijn homoseksuele geaardheid blijkt.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:1) Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst2) Eisers verklaringen over zijn seksuele gerichtheidDe minister heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht, net als in eisers eerdere procedure. Eisers seksuele gerichtheid is niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die zijn asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Gronden van beroep
6. Eiser voert aan dat de minister een onjuist toetsingskader hanteert. Er is in zijn geval sprake van identiteitsgroei. Deze groei kan inhouden dat eiser beter kan verklaren over zijn gedachten en gevoelens, maar kan ook bestaan uit feitelijke handelingen en verklaringen van derden. De minister dient dan ook te beoordelen welke feiten en omstandigheden behoren tot deze identiteitsgroei en of deze groei het aannemelijk maakt dat eiser de gestelde seksuele gerichtheid bezit. Eiser heeft pas in Nederland, na de identiteitsgroei, geleerd dat de seksuele gerichtheid niet gaat over seks, maar over liefde voor een persoon. Eiser kent alleen liefde voor een man en dat maakt dat hij nu weet dat sprake is van een homoseksuele gerichtheid. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat dit is meegewogen. De minister verwijst ten onrechte voornamelijk naar de eerdere asielprocedure en verlangt in feite dat eiser deze procedure herstelt, hetgeen niet kan. Eiser heeft ten aanzien van zijn betrokkenheid bij de LHBTI-gemeenschap verklaard dat hij geen schaamte meer ervaart om te spreken over zijn seksuele gerichtheid. Eiser volgt daarom niet dat hij summier zou hebben verklaard hierover. Daarnaast zegt zijn betrokkenheid bij de LHBTI-gemeenschap al iets over zijn seksuele gerichtheid. Nu de minister in WI 2024/6 veel waarde hecht aan objectieve documenten, zou er meer gewicht moeten worden toegekend aan de overgelegde documenten. Eiser stelt verder dat zijn verklaringen over de unisekskleding ten onrechte niet in eisers voordeel zijn meegewogen. Eiser stelt ook dat hij voldoende inzichtelijk heeft verklaard over zijn relatie met [naam 2] en dat de emotie, namelijk dat eiser tijdens de pauze brak op de gang, ten onrechte niet is meegewogen in de beoordeling. 7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat een onjuist toetsingskader is gehanteerd. Daartoe overweegt de rechtbank dat het een herhaalde asielaanvraag betreft, waarbij in eisers eerdere procedure in rechte vast is komen te staan dat eisers biseksuele geaardheid niet geloofwaardig is. De minister dient de herhaalde asielaanvraag dan ook te beoordelen in het licht van de eerdere, in rechte vaststaande, asielaanvraag, hetgeen de minister ook heeft gedaan. De rechtbank overweegt verder dat, zoals eveneens volgt uit WI 2019/17, in lhbti-zaken het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling bij het persoonlijke en authentieke verhaal van de vreemdeling ligt . Dat de minister derhalve onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de documenten, in strijd met WI 2024/6, volgt de rechtbank niet. Uit het bestreden besluit blijkt daarnaast dat de brieven van het COC in het voordeel van eiser zijn meegewogen, nu eiser hiermee heeft aangetoond dat hij de bijeenkomsten heeft bijgewoond als deelnemer en vrijwilliger. De minister heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat het zwaartepunt ligt op de eigen verklaringen van eiser. In dit kader heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in wat de bijeenkomsten met eiser doen, wat het hem oplevert en op welke wijze de bijeenkomsten hebben bijgedragen aan eisers verbeterde vermogen om te verklaren. Daarbij heeft de minister kunnen overwegen dat eiser weliswaar heeft verklaard dat hij door de bijeenkomsten geen schaamte meer ervaart om te spreken over zijn seksuele gerichtheid, maar dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe zijn angst- en schaamtegevoelens zijn verdwenen en op welke manier eiser beter kan verklaren. De minister heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser vaag en summier heeft verklaard over zijn relatie met [naam 2]. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser het uiterlijk van [naam 2] als ook de positieve eigenschappen van [naam 2] slechts in algemene termen heeft omschreven en dat eiser niet heeft kunnen aangeven wat het adres van [naam 2] is, terwijl eiser daar meer dan 20 keer zou zijn geweest. De minister heeft zich op zitting evenmin ten onrechte op het standpunt gesteld dat de emoties die eiser heeft getoond tijdens het gehoor nadat hij over zijn relatie met [naam 2] heeft verklaard, niet kunnen opwegen tegen eisers summiere verklaringen. Gelet op het voorgaande heeft de minister eisers homoseksuele gerichtheid niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.8. De minister heeft ter zitting de tegenwerping ten aanzien van eisers verklaring over het dragen van unisekskleding laten vallen, zodat de daartegen gerichte beroepsgrond geen bespreking meer behoeft.
Conclusie
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Zie voornemen, p. 6.