Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:16994
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
1,542 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40659
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. A.A. Scholtmeijer),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 augustus 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 3 juli 2025 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 8 juli 2025 aanvaard.
Zienswijze
5. Eiser verzoekt de rechtbank hetgeen is aangevoerd in de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. De rechtbank kan uit dit verzoek niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Bewijsnood
6. Eiser voert aan dat hij in bewijsnood verkeert ten aanzien van de systeemfouten in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Duitsland. Juist vanwege deze systeemfouten zijn er volgens eiser geen instanties die kunnen en willen bevestigen dat er sprake is van onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest, artikel 3 van het EVRM en artikel 7 van het IVBPR.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de autoriteiten van Duitsland met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit is slechts anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in Duitsland systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM, waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. Verder heeft de Afdeling in de uitspraken van 4 september 2024 geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan te weerleggen.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat volgens rechtspraak van de Afdeling nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat voor Duitsland mag worden uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover hem niet nakomt. Eiser heeft verder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert. De enkele stelling van eiser dat er geen instanties in Duitsland zijn die kunnen en willen bevestigen dat er sprake is van systeemfouten, is hiervoor onvoldoende. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij andere instanties (tevergeefs) heeft benaderd. Bovendien is niet gebleken dat het voor eiser onmogelijk is op een andere manier, bijvoorbeeld door het overleggen van landeninformatie over Duitsland, te onderbouwen dat er sprake is van systeemfouten.
Artikel 17
7. Eiser is tot slot van oordeel dat zijn persoonlijk relaas maakt dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd, waardoor de beroepsgrond niet kan slagen.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Dit volgt uit het Jawo-arrest van het Hof van 19 maart 2019 in de zaak Abubacarr Jawo tegen Duitsland (ECLI:EU:C:2019:218, het arrest Jawo).
Afdeling Bestuursrechtpraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:3455 en ECLI:NL:RVS:2024:3456.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.