Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:1698
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,161 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.40818
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verzoeker heeft op 18 oktober 2024 een beroep tegen niet tijdig beslissen ingediend, omdat verweerder na de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 juni 20241 niet binnen acht weken heeft beslist op de asielaanvraag van verzoeker.
Op 26 november 2024 heeft verweerder alsnog een besluit genomen en de asielaanvraag van verzoeker buiten behandeling gesteld.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Verweerder heeft de rechtbank op 18 december 2024 laten weten niet bereid te zijn om de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt te vergoeden.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
1. ECLI:NL:RBDHA:2024:8967.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker door alsnog een besluit op zijn aanvraag te nemen. De stelling van verweerder dat verzoeker op 3 juli 2024 met onbekende bestemming is vertrokken en daarom geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn asielaanvraag leidt niet tot een ander oordeel, omdat de gemachtigde van verzoeker de rechtbank op 18 december 2024 heeft laten weten dat hij ten tijde van het indienen van het beroep wel degelijk nog contact had met verzoeker. Daarbij heeft verweerder niet tijdig en pas nadat verzoeker in beroep is gegaan een beslissing genomen op zijn asielaanvraag door deze buiten behandeling te stellen.
4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 januari 2025
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrif indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.