Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:16861
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,703 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.16933 en NL25.16921
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1], V-nummer: [V-nummer 1], eiser I
[eiser 2]
, V-nummer: [V-nummer 2], eiser II
hierna gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. A. Simicevic),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.P. Arts).
Procesverloop
Bij twee afzonderlijke besluiten van 10 april 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 augustus 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eisers en hun gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
1. Eiser I is geboren op [datum 1] 1978 en heeft de Egyptische nationaliteit. Hij is de vader van eiser II. Eiser II is op [datum 2] 2005 geboren en heeft eveneens de Egyptische nationaliteit.
2. Eisers hebben op 7 oktober 2021 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft die asielaanvragen bij besluiten van 17 oktober 2022 afgewezen als ongegrond. De daartegen ingestelde beroepen heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, ongegrond verklaard. De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
3. Op 1 november 2024 hebben eisers wederom asielaanvragen ingediend. Hieraan hebben zij ten grondslag gelegd dat zij beschikken over een nieuw document: een uittreksel van het Egyptische strafregister waaruit blijkt dat eiser I wordt vervolgd. Met dit stuk willen eisers aantonen dat zij gevaar lopen bij terugkeer naar Egypte.
4. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, omdat eisers geen nieuwe elementen of bevindingen hebben aangevoerd die relevant kunnen zijn voor de boordeling van hun opvolgende asielaanvragen. Het door eisers overgelegde uittreksel van het strafregister leidt namelijk niet tot een ander oordeel dan in de eerdere asielprocedures, omdat uit onderzoek door Bureau Documenten is gebleken dat de opmaak en afgifte van het document afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal en het document niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven.
5. Eisers voeren daartegen het volgende aan. Eisers zijn ten onrechte niet gehoord over hun opvolgende asielaanvragen. Tijdens een gehoor hadden eisers nadere informatie over het door hen overgelegde document kunnen verstrekken. Eisers verwijzen hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 7 juli 2021, waaruit volgt dat verweerder bij de beoordeling van de bewijswaarde van een document nadere feiten en omstandigheden dient te betrekken. Ook heeft verweerder niet voldaan aan de vergewisplicht. In de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten is niet uiteengezet wat het beschikbare vergelijkingsmateriaal was en welke verschillen tussen het document en het vergelijkingsmateriaal zijn geconstateerd. Het is volgens eisers compleet onduidelijk wat er is onderzocht. In het kader van de op verweerder rustende samenwerkingsverplichting wijzen eisers op de arresten L.H en S.N. & L.N van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Eisers vinden het noodzakelijk dat zij de mogelijkheid krijgen om een contra-expertise te laten uitvoeren. In hun zienswijze hebben eisers hier al om verzocht. Voorts heeft verweerder nieuw beleid ten aanzien van risicoprofielen en dienen de opvolgende asielaanvragen van eisers aan de hand van dit nieuwe beleid te worden beoordeeld. Verder heeft eiser I op 16 augustus 2025 deelgenomen aan een demonstratie in Nederland ter herdenking van de ontruiming van Rabaa al-Adawiya en hij is daarbij, net als de andere demonstranten, ten onrechte uitgemaakt voor terrorist. Er is bij de Nederlandse ambassade in Egypte gevraagd om eiser I en de andere demonstranten uit te leveren aan Egypte. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een foto overgelegd en twee links naar video’s op Facebook en TikTok.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Vergewisplicht
6. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat verweerder in beginsel ervan uit mag gaan dat een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van verweerder op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dat laat echter onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van verweerder als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. Die situatie doet zich in ieder geval voor als de conclusies van Bureau Documenten vragen oproepen, bijvoorbeeld als gemotiveerd betwist is dat een verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
7. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. De enkele stelling van eisers dat niet duidelijk is welk vergelijkingsmateriaal is gebruikt en welke verschillen met het vergelijkingsmateriaal zijn geconstateerd, is daartoe onvoldoende. De vergewisplicht strekt niet zover dat verweerder tot in detail inzichtelijk moet maken hoe Bureau Documenten tot zijn conclusie is gekomen. Daarom hoeft in de verklaring van onderzoek niet te worden opgenomen op welk punt het document afwijkt en welk referentiemateriaal is gebruikt. Het gaat immers om vertrouwelijke informatie waarbij het verder inzichtelijk maken zou betekenen dat de details van het onderzoek openbaar moeten worden gemaakt waarmee vervalsers vervolgens hun voordeel kunnen doen. Voor zover eisers met een foto van een brief van een Egyptische advocaat hebben willen aanvoeren dat het uittreksel uit het strafregister wel op de juiste wijze is opgemaakt en afgegeven, vormt dit evenmin een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan het advies van Bureau Documenten. Deze brief, die eisers zonder enige toelichting hebben overgelegd, doet niet af aan de zorgvuldigheid en begrijpelijkheid van de verklaring van onderzoek. Er is dan ook geen sprake van een situatie waarin verweerder nadere invulling dient te geven aan zijn vergewisplicht.
Contra-expertise
8. Voor zover eisers betogen dat zij onvoldoende in staat zijn gesteld om een contra-expertise te laten uitvoeren, worden zij daarin niet gevolgd. Op 28 maart 2025 zijn eisers op de hoogte gesteld van de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten en sindsdien staat het hen vrij om een contra-expertise te laten uitvoeren. Hoewel eisers in april 2025 hebben gesteld dat zij druk bezig zijn met het regelen van een contra-expertise, hebben zij hun contacten met mogelijke contra-experts niet onderbouwd. Er is niet gebleken dat eisers handelingen hebben verricht om een contra-expertise te laten uitvoeren. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om eisers nader in de gelegenheid te stellen om een contra-expertise te laten uitvoeren.
Horen over opvolgende aanvraag
9. Verweerder heeft terecht overwogen dat in het geval van eisers kon worden afgezien van het horen. Zoals uit overweging 7 volgt, heeft verweerder de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Verweerder heeft kunnen overwegen dat, gelet op de uitkomst van het documentenonderzoek, op basis van de stukken al kon worden geconcludeerd dat de opvolgende asielaanvragen van eisers geen kans van slagen hebben. Verweerder heeft dan ook kunnen overwegen dat dat het horen van eisers om die reden geen toegevoegde waarde had.
Deelname aan demonstratie
10. Eisers hebben eerst in beroep aangevoerd dat eiser I heeft deelgenomen aan een demonstratie, dat hij daarbij voor terrorist is uitgemaakt en dat bij de Nederlandse ambassade is gevraagd om uitlevering van eiser I aan Egypte. Verweerder heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat eisers dit te laat hebben aangevoerd, waardoor verweerder dit niet mee kan nemen in de beoordeling. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de stellingen van eisers niet worden onderbouwd door de overgelegde foto en videolinks.
11. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn primaire standpunt, gelet op de ex nunc toetsing in asielzaken. Wel volgt de rechtbank verweerder in zijn subsidiaire standpunt.
Conclusie
13. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuwe elementen en bevindingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de asielaanvragen. Verweerder heeft de asielaanvragen dan ook niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De beroepen zijn ongegrond.
14. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 september 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van 8 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19736.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraak van 30 oktober 2024, zaaknummer 202400077/1/V2.
Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2021:6993.
ECLI:EU:C:2021:478 en ECLI:NL:EU:C:2024:494.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:636.