Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:16854
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,063 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16460
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraagi van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 20 december 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Russische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 april 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mevrouw van Velsen-van Delden als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in september 2022 via zijn vader een oproep ontvangen voor reservistendienst. In deze oproep staat dat eiser zich op 26 september 2022 moest melden bij het militaire commissariaat. Eiser heeft geen gehoor gegeven aan deze oproep. Uit angst voor een mogelijke tweede mobilisatieronde heeft eiser in december 2022 Rusland verlaten. Eiser vreest voor problemen bij terugkeer omdat hij tijdens een lopende mobilisatie het land heeft verlaten. Eiser is tegen Poetin en de oorlog en heeft daarom in Rusland en in januari 2023 in Nederland meegedaan aan een demonstratie. Verder heeft hij meegewerkt aan een artikel in de [krant] en een film. Eiser vreest ook in verband met deze politieke overtuiging en activiteiten bij terugkeer voor problemen met de Russische autoriteiten. Tenslotte heeft eiser nu enige tijd in Nederland doorgebracht. Omdat dit door de Russische autoriteiten als een vijandig land wordt gezien, vreest hij eveneens in verband hiermee problemen bij terugkeer.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
• identiteit, nationaliteit en herkomst;
• politieke overtuiging;
• dat eiser is opgeroepen voor reservistendienst.
5. De minister heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig gevonden. De politieke overtuiging van eiser heeft de minister eveneens geloofwaardig geacht. Dat eiser is opgeroepen voor reservistendienst vindt de minister daarentegen niet geloofwaardig. Hierbij heeft de minister betekenis toegekend aan de omstandigheid dat eiser enkel een kopie van de oproep heeft overgelegd en geen verschoonbare reden heeft gegeven voor het ontbreken van het origineel. Eiser heeft geen duidelijke en consistente verklaringen afgelegd over wat er met dit document is gebeurd. Verder vormen de verklaringen van eiser over zijn oproep voor reservistendienst volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Naast de omstandigheid dat eiser toerekenbaar de originele oproep niet heeft overgelegd, zijn de verklaringen van eiser over deze oproep volgens de minister namelijk oppervlakkig en algemeen van aard. Ook is de legale uitreis van eiser in strijd met algemene landeninformatie. Eiser voldoet dan ook niet aan voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b en c, van de Vw.
6. Op grond van de geloofwaardig bevonden motieven, namelijk zijn identiteit, nationaliteit en herkomst en zijn politieke overtuiging kan eiser volgens de minister niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en is niet aannemelijk dat eiser bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRMii. Hierbij heeft de minister van belang geacht dat niet aannemelijk is dat de Russische autoriteiten op de hoogte zijn van zijn deelname aan de demonstraties. Deze demonstraties hadden een massaal karakter en eiser speelde hierin geen onderscheidende rol. Ook is niet aannemelijk dat de autoriteiten op de hoogte zijn van eisers medewerking in 2023 aan een artikel in een lokale krant en aan een film die nog niet uitgebracht is. De minister wijst erop dat eisers activiteiten zowel in aantal als in bereik slechts gering en lang geleden zijn terwijl hij ook heeft verklaard zich bij terugkeer van politieke activiteiten te willen onthouden. Tenslotte overweegt de minister dat eiser zijn stelling dat hij risico loopt om in de gevangenis te belanden omdat hij enkele jaren in Nederland heeft verbleven niet heeft onderbouwd of aannemelijk heeft gemaakt terwijl dit geen steun vindt in algemene openbare informatie. Het is dan ook niet aannemelijk dat eiser in de negatieve belangstelling staat of zal komen te staan van de Russische autoriteiten. Hierom komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Geloofwaardigheid van de mobilisatie
Toetsingskader
7. Op grond van artikel 31, zesde lid, van de Vw, worden, indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, deze verklaringen (toch) geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de voorwaarden a tot en met e vermeld in dat artikellid is voldaan. Op grond van voorwaarde b van dat artikellid moeten alle relevante elementen (waaronder documenten) waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en een bevredigende verklaring zijn gegeven over het ontbreken van andere relevante elementen. Op grond van voorwaarde c van dat artikellid is daarnaast vereist dat de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn bevonden.
Heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft?
8. Eiser stelt dat hij een kopie van een mobilisatieoproep heeft overgelegd en het origineel nooit zelf in handen heeft gehad. Naar zijn mening verwijt de minister hem dan ook ten onrechte dat hij deze niet heeft overgelegd. Verder stelt eiser dat hij geen inconsistente verklaringen heeft afgelegd over wat er met de oproep is gebeurd. Hij heeft namelijk wel gevraagd aan zijn vader of het document er nog was, maar niet doorgevraagd naar wat zijn vader ermee had gedaan. Het is daarom volgens eiser ten onrechte door de minister niet verschoonbaar geacht dat hij het originele document niet heeft overgelegd.
9. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en dat hij daarvoor geen goede verklaring heeft. Er mag van een vreemdeling de inspanning worden verwacht dat hij ter staving van zijn asielaanvraag zo spoedig mogelijk alle relevante documentatie die bij hem in bezit is naar voren brengt.iii De minister mag om die reden verwachten dat eiser zijn relaas probeert te staven met originele documenten. Eiser heeft gesteld dat de oproep aan zijn vader is overhandigd en hijzelf alleen beschikt over een foto van die oproep. Gelet op die omstandigheden mocht de minister van eiser verwachten dat hij zou proberen om alsnog in het bezit van de originele oproep te komen. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser wisselend heeft verklaard over wat er met de oproep is gebeurd. Zo heeft eiser in het nader gehoor niet eenduidig verklaard of hij al dan niet aan zijn vader heeft gevraagd waar het document is.iv De minister heeft ook geen genoegen hoeven nemen met de verklaring van eiser voor het ontbreken van het document, namelijk dat zijn vader het niet meer heeft. Van eiser mag redelijkerwijs verwacht worden dat hij het belang van de oproep zou kennen. Dit betreft de reden van vertrek van eiser en daarmee de kern van zijn asielrelaas. Van eiser mag dan ook verwacht worden dat hij zijn vader hierover had doorgevraagd. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van de originele oproep. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen?
10. Eiser voert in dit kader in zijn beroepsgronden aan dat de minister bij deze beoordeling miskent dat hij wel een kopie van de oproep heeft overgelegd. Deze kopie heeft bewijswaarde waaraan de minister ten onrechte voorbijgaat. Verder kan aan eiser naar zijn mening niet worden verweten dat hij onvoldoende heeft verklaard over deze oproep. De minister heeft namelijk volgens hem geen redenen aangedragen waarom van eiser verwacht had mogen worden dat hij zijn vader om meer details had gevraagd.
Conclusie
21. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 26 augustus 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
i als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 (Vreemdelingenwet 2000).
ii Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
iii Gelet op artikel 31, tweede en derde lid, van de Vw.
iv Zie blz. 7 en 12 van het nader gehoor waarin eiser aangeeft niet aan zijn vader te hebben gevraagd wat hij met het document heeft gedaan of waar het origineel van de oproep is terwijl hij later op blz. 12 aangeeft het aan zijn vader gevraagd te hebben maar dat hij deze niet meer heeft.
v Algemeen Ambtsbericht Russische Federatie maart 2023, blz. 68.
vi Zie ook uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208, overweging 5.4.7.
vii Zie het rapport van nader gehoor, blz. 12.
viii Zie het rapport van nader gehoor, blz. 20.
ix Thematisch ambtsbericht Russische Federatie 2025 van 14 februari 2025, blz, 68 en 69.
x Zie thematisch ambtsbericht Russische Federatie 2025 van 14 februari 2025, blz. 68.
Beoordeling
Nu zijn legale uitreis verder niet in tegenspraak is met openbare bronnen, is naar zijn mening onvoldoende gemotiveerd dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
11. De rechtbank is van oordeel dat eiser kan worden gevolgd in zijn stelling dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zijn verklaringen over zijn (legale) uitreis in strijd zijn met openbare bronnen. Uit de door de minister aangehaalde passages uit het ambtsbericht blijkt niet dat het voor eiser onmogelijk was om legaal uit te reizen. Zo is in het ambtsbericht vermeld dat de informatie dat iemand een oproep had ontvangen niet altijd bekend was bij Russische grenswachters, zodat er soms toch kon worden uitgereisd. Ook werd gemeld dat een Russische grenswacht uitreizende Russen juist aanmoedigde om te vluchten. En anderen kregen een stempel in hun paspoort met weigering van uitreis, maar slaagden er in een latere poging toch in om uit te reizen.v De stelling van de minister dat al deze informatie enkel betrekking heeft op de periode van enkele dagen na de mobilisatie en daarna is uit te sluiten, valt hieruit niet eenduidig op te maken. Ook wijst eiser er terecht op dat hij (onbetwist) niet op de officiële wijze zou zijn opgeroepen, zodat evenmin valt uit te sluiten dat hij niet officieel zou zijn geregistreerd.
12. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat de verklaringen van eiser over zijn mobilisatie een samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hierbij is van belang dat de minister niet, zoals eiser stelt, heeft volstaan met de conclusie dat de overgelegde oproep een kopie betreft. De minister heeft in zijn besluitvorming de oproep namelijk niet hierom terzijde geschoven maar heeft het document verder beoordeeld aan de hand van de verklaringen van eiser. De minister heeft eiser over de oproep gehoord. Ook is eiser in de gelegenheid gesteld om correcties en aanvullingen daarop en een zienswijze uit te brengen.vi Eiser is desondanks niet in staat gebleken gedetailleerde verklaringen over de oproep af te leggen. De minister heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat eisers verklaringen over de oproep oppervlakkig en algemeen van aard zijn. Zo weet eiser niet te vertellen wanneer en door wie de oproep aan zijn vader is overhandigd. Ook heeft hij geen idee of daarbij nog iets is gezegd of medegedeeld.vii Nu de betreffende oproep en zijn vrees voor mobilisatie de directe aanleiding is geweest voor eiser om Rusland te verlaten en internationale bescherming te vragen, had van hem verwacht mogen worden dat hij zijn vader hierover aanvullende vragen zou stellen en meer zou kunnen verklaren. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
13. Gelet op vorengaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het ongeloofwaardig is dat eiser is gemobiliseerd voor reservistendienst.
Vrees voor vervolging en het risico op ernstige schade bij terugkeer
Politieke overtuiging
14. Eiser stelt dat de minister ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn politieke overtuiging. Eiser geeft aan dat hij eerder in Rusland ook al problemen heeft ondervonden na zijn deelname aan een demonstratie. Verder is ten onrechte niet getoetst aan de eventuele risico’s die hij loopt als hij zich bij terugkeer naar Rusland net zo uit als hij dit eerder heeft gedaan. De minister gaat er hierbij ten onrechte vanuit dat hij de wil niet heeft zich te uiten. Eiser heeft enkel uit angst aangegeven dat hij dit niet zal doen bij terugkeer. Maar deze terughoudendheid mag niet van hem worden verwacht en is een grond voor bescherming.
15. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de door hem in het verleden verrichtte politieke activiteiten in de negatieve belangstelling staat van de Russische autoriteiten. Niet aannemelijk is gemaakt dat de Russische autoriteiten hiervan op de hoogte zijn geraakt. De minister heeft er in dit verband op kunnen wijzen dat de twee demonstraties die eiser heeft bijgewoond, één in Rusland en één in Nederland, massaal werden bezocht en dat eiser geen speciale rol heeft vervuld tijdens die demonstraties. Eiser heeft nadien ook geen problemen ondervonden van de Russische autoriteiten. De enkele omstandigheid dat eiser na deelname aan de demonstratie in Rusland werd aangesproken door zijn docenten maakt dit niet anders. De stelling van eiser dat docenten deel uitmaken van het staatsapparaat heeft eiser namelijk niet nader onderbouwd terwijl ook niet is gebleken van verdere problemen. De minister heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Russische autoriteiten op de hoogte zouden zijn geraakt van het artikel waaraan eiser – zonder vermelding van zijn volledige naam en geboortedatum – heeft meegewerkt in een lokaal gemeentelijk tijdschrift in 2023 en evenmin van de medewerking van eiser aan een nog niet uitgebrachte film.
16. Ook is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer naar Rusland in de negatieve belangstelling van de autoriteiten zal komen te staan vanwege zijn politieke overtuiging. De minister heeft daarbij overeenkomstig Informatiebericht (IB) 2024/10 kunnen betrekken wat eiser heeft verklaard over de wijze waarop hij zijn politieke overtuiging in Nederland heeft geuit en de wijze waarop hij deze bij terugkeer wenst te uiten. De minister heeft in dit verband dan ook mogen wijzen op de omstandigheid dat eiser zowel in bereik als in aantal geringe activiteiten heeft verricht. Ook heeft de minister mogen meewegen dat eiser zich niet meer politiek heeft geuit sinds het begin van 2023, ondanks de omstandigheid dat hij in Nederland was en hiertoe dus niet was gehinderd. De minister heeft gelet op het voorgaande mogen vinden dat uit deze activiteiten en verklaringen niet volgt dat eiser bij een terugkeer naar Rusland een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn overtuiging en/of daaraan gelieerde activiteiten.
17. De stelling van eiser dat de minister hem nader had moeten horen over de vraag hoe hij zich in Rusland politiek zou willen gaan uiten, volgt de rechtbank hierbij niet. Eiser is immers gehoord over zijn politieke overtuiging, de wijze waarop hij hieraan uiting gaf en hoe hij dit na een eventuele terugkeer naar Rusland zou willen gaan doen. Ook is hij in de gelegenheid gesteld aanvullingen en correcties en een zienswijze in te dienen. Eiser heeft daarmee ruim de gelegenheid gehad zijn relaas op dit punt nader toe te lichten. De rechtbank constateert dat eiser dit in zijn nader gehoor niet heeft gedaan ondanks dat hem tweemaal expliciet is gevraagd hoe hij zijn politieke overtuiging in Rusland (verder) zou willen uiten.viii Ook in de aanvullingen en correcties heeft eiser geen (begin van een) toelichting gegeven over hoe hij dit zou willen doen. Dit had naar het oordeel van de rechtbank wel op zijn weg gelegen. De stelplicht en bewijslast betreffende het asielrelaas ligt immers bij de vreemdeling. Weliswaar hebben de vreemdeling en de minister in de fase, waarin de feiten en omstandigheden worden vastgesteld, een samenwerkingsverplichting maar die gaat niet zo ver dat de verantwoordelijkheid voor het naar voren brengen en aannemelijk maken van het asielrelaas bij de minister komt te liggen. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door eiser niet aanvullend te horen. Deze beroepsgrond faalt.
Verblijf in Nederland
18. Eiser heeft in zijn beroepsgronden ook aangevoerd dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser na zijn langdurige verblijf in Nederland en zijn politieke uitingen hier niet een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer.