Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:16774
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,559 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42216
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
1. De minister heeft op 6 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist met de uitspraak van 17 april 2025. Op het eerste vervolgberoep is beslist met de uitspraak van 16 juni 2025. Op het tweede vervolgberoep is beslist met de uitspraak van 30 juli 2025.
1.2.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.3.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft daar niet op gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft op 9 september 2025 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 juli 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 24 juli 2025) rechtmatig is.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend te werk gaat door enkel een bericht toe te sturen aan het consulaat.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Op basis van het voortgangsrapport met betrekking tot uitzetting (het M120 formulier) stelt de rechtbank vast dat sinds de sluiting van het onderzoek in de vorige uitspraak de minister op 24 juli 2025 en 15 augustus 2025 heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Daarnaast heeft de minister op 7 augustus 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
Ontbreekt het zicht op uitzetting naar Marokko?
6. Eiser betoogt dat het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. Eiser blijft al geruime tijd in bewaring, maar van een uitzetting binnen een redelijke termijn is geen sprake. Bovendien heeft eiser aangegeven dat hij zal meewerken en Nederland zal verlaten.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Dat eiser al geruime tijd in bewaring verblijft, maakt het voorgaande niet anders. Het is namelijk niet gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer (lp) voor eiser te zullen verstrekken. Het lp-traject duurt nog niet zo lang dat die conclusie daarom nu al moet worden getrokken. Bovendien rust op eiser de plicht om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting. De rechtbank constateert dat eiser deze medewerking onvoldoende verleent. De enkele stelling in beroep dat eiser zal meewerken aan vertrek is onvoldoende. Uit het laatste vertrekgesprek blijkt dat eiser niets heeft gedaan om zijn vertrek te bespoedigen. Dit mag wel van hem worden verwacht. Ook om deze reden bestaat op dit moment al voldoende zicht op uitzetting.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 17 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6665.
Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 16 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10566.
Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 30 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14174.
Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
ABRvS 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.
Zie de uitspraken van de ABRvS van 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85 en van 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210.
Vergelijk ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.