Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-09
ECLI:NL:RBDHA:2025:16726
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,319 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11052
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. T. Volckmann),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit een motiveringsgebrek bevat. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank namelijk onvoldoende gemotiveerd waarom de gestelde staatloosheid van eiser niet geloofwaardig is geacht, gelet op de overgelegde informatie. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 20 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 maart 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
2.3.
De rechtbank heeft na de zitting het onderzoek heropend. Hierbij heeft de rechtbank de minister de mogelijkheid geboden om (nader) te reageren op het betoog van eiser dat hij staatloos is. De minister heeft op 23 april 2025 gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens eiser gelegenheid gegeven om op de schriftelijke reactie van de minister te reageren. Eiser heeft op 29 april 2025 gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft vervolgens partijen gevraagd of zij op een nadere zitting gehoord willen worden. De minister heeft hierop gereageerd dat een nadere zitting achterwege kan blijven. De gemachtigde van eiser heeft hier niet op gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 15 mei 2025 gesloten en de zaak niet behandeld op een nadere zitting.
Beoordeling
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is in Ethiopië geboren en heeft daar altijd gewoond. Zijn vader is een Eritrese soldaat, die eiser nooit gekend heeft. In 2020 is eiser uit Ethiopië, Adigrat, gevlucht vanwege de oorlog. Verder hebben de ouders van eiser verschillende nationaliteiten, de Eritrese en Ethiopische, waardoor hij gediscrimineerd werd. Bij terugkeer naar Ethiopië vreest eiser dat hij zal worden aangehouden of gedood vanwege zijn gemengde afkomst.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. discriminatie vanwege gemixte afkomst;
3. rekrutering door het regionale leger van Tigray vanwege grensgeweld in 2020.
De minister acht niet geloofwaardig dat eiser de Eritrese nationaliteit heeft of staatloos is, maar neemt aan dat eiser de Ethiopische nationaliteit heeft. Daarnaast acht de minister ook het tweede asielmotief niet geloofwaardig. Het derde asielmotief acht de minister wel geloofwaardig, maar eiser loopt bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade omdat de oorlog ruim twee jaar geleden is beëindigd. Hierdoor is het niet aannemelijk dat eiser opnieuw gerekruteerd zal worden.
Stelt de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt dat de gestelde staatloosheid van eiser ongeloofwaardig is?
5. Eiser betoogt dat hij staatloos is. Hij heeft namelijk verklaard dat zijn vader de Eritrese nationaliteit heeft en zijn moeder de Ethiopische. Eiser wijst op algemene informatie waaruit blijkt dat mensen met deze etnische achtergrond het risico lopen om staatloos te worden. Hij heeft bovendien verklaard dat hij tweemaal heeft geprobeerd een identiteitskaart aan te vragen in Ethiopië, maar deze is niet aan hem verstrekt. Hierbij was namelijk vereist dat drie getuigen konden verklaren over de identiteit van de vader van eiser, en die getuigen heeft eiser niet. Hijzelf en de mensen uit zijn dorp weten namelijk uitsluitend dat de vader van eiser een Eritrese soldaat is, maar kennen niet de exacte identiteit van zijn vader.
5.1.
De rechtbank zal uitgaan van het beoordelingskader zoals dat is geschetst in de Werkinstructie (WI) 2024/6. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn staatloosheid geen objectieve documenten overgelegd (stap 2a), waardoor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de staatloosheid plaatsvindt in stap 2b. Hierbij wordt getoetst aan artikel 31, zesde lid van de Vw 2000, waarbij de rechtbank in dit geval onder c van belang acht. De minister stelt namelijk dat eiser niet voldoet aan onderdeel c van het zesde lid.
5.2.
De minister volgt eiser niet in zijn betoog dat hij staatloos is. De minister gaat ervan uit dat eiser de Ethiopische nationaliteit heeft, dan wel kan krijgen. Hierbij stelt de minister allereerst dat eiser pas in beroep heeft aangevoerd dat hij staatloos zou zijn. Dit had eerder gekund en gemoeten. Verder stelt de minister dat het overgelegde rapport niet maakt dat uitgegaan kan worden van staatloosheid, omdat deze informatie niet specifiek op eiser is toegespitst. Verder is voor het aannemen van staatloosheid volgens de minister onvoldoende dat eiser heeft verklaard dat hij tweemaal heeft geprobeerd een ID-kaart aan te vragen. Hierbij wijst de minister erop dat eiser hierover ook tegenstrijdig heeft verklaard.
5.3.
Deze beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de gestelde staatloosheid ongeloofwaardig is. Hierbij wijst de rechtbank erop dat eiser altijd heeft verklaard dat hij een Eritrese vader en Ethiopische moeder heeft. Daarbij heeft eiser een rapport overgelegd waaruit blijkt dat mensen met de achtergrond zoals die van eiser het risico lopen op staatloosheid:
“The categories of people at risk of statelessness in the Horn of Africa are similar to those in other parts of the African continent. They include:
- People of mixed parentage or potential dual nationality (but who have no documentation of either nationality);
(…)
These groups exist in every country of the region. In addition, this report highlights two particular groups at risk of statelessness: (...) (and) people of Eritrean descent (or mixed Eritrean—Ethiopian descent) living in Ethiopia.”
“Even where there is no gender discrimination in law a person of mixed parentage may especially struggle to be recognised as a national in countries where dual nationality is not permitted as is the case in Ethiopia. Officials may consider that the person has acquired the other nationality in law, and thus is not eligible for the nationality of the state of birth whether or not the person has ever sought recognition of the other nationality. This is particularly a problem among border populations, as well as Ethiopians of Eritrean origin
(see below).”
“It is not possible to provide statistics on how many are stateless: statelessness is often only a situation that becomes apparent over time, after repeated efforts to obtain documents from the authorities of one or more countries. It is, in the end, an individual and not a group condition, and different members of a group sharing some characteristics may succeed or fail in obtaining recognition of nationality because of their different circumstances. Thus, the categories here are of people “at risk of” statelessness: not all those fitting the description of each group will in fact be stateless, and the level of risk may vary.”
5.4.
Hoewel het rapport niet specifiek op eiser is toegespitst, voldoet eiser wel aan de kenmerken van de personen die volgens het rapport te maken kunnen krijgen met staatloosheid. In zoverre is het rapport wel degelijk toegespitst op eiser en valt eiser daarmee in de groep die risico loopt op staatloosheid. De minister heeft gelet hierop onvoldoende gemotiveerd waarom sprake is van algemene informatie die niet is toegespitst op eiser. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de minister niet betwist dat de moeder van eiser Ethiopische is en op de zitting heeft aangegeven dat gevolgd kan worden dat de vader van eiser Eritrees is. Eiser heeft bovendien verklaard dat hij twee keer een verzoek heeft ingediend om een identiteitskaart te verkrijgen en dat hem dat niet is gelukt. De minister stelt weliswaar terecht dat eiser in het aanmeldgehoor Dublin (tegenstrijdig) heeft verklaard dat hij nooit een identiteitskaart heeft aangevraagd, maar hij laat daarbij na om in te gaan op eisers verklaring hiervoor en betrekt de gestelde mislukte pogingen in zijn beoordeling. De minister stelt over die mislukte pogingen dat niet valt in te zien waarom eiser geen getuigen kon vinden, maar gaat daarbij niet in op de toelichting van de gemachtigde van eiser op de zitting dat die getuigen er niet zijn, omdat het moet gaan om getuigen die eisers vader hebben gekend en daarover kunnen verklaringen. Eiser heeft bovendien tijdens het aanvullend gehoor verklaard dat de drie getuigen dorpsoudsten moesten zijn die kunnen verklaren dat eiser uit Tigray komt. De minister heeft zijn besluit dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt dat eiser pas in beroep naar voren heeft gebracht dat hij staatloos is en dat dat eerder had gekund en gemoeten. Eiser heeft namelijk altijd verklaard dat hij een Eritrese vader en een Ethiopische moeder heeft en aan hem geen identiteitskaart werd afgegeven. Dat daarbij staatloosheid kan spelen, kon daarom, gelet op de landeninformatie, bij de minister bekend zijn.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister dient een nieuw besluit te nemen waarin hij (nader) ingaat op de gestelde staatloosheid. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak. Wanneer de minister binnen die acht weken besluit om nader onderzoek in te stellen en dit schriftelijk aan eiser laat weten, moet de minister het besluit binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak bekend maken.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.267,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Indien binnen die termijn wordt besloten dat nader onderzoek moet plaatsvinden en dat aan eiser schriftelijk is meegedeeld, dan moet het besluit binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak bekend worden gemaakt;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
‘Citizenship and Statelessness in the Horn of Africa’, december 2021, UNHCR.
Zie pagina 2 WI 2024/6.