Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:16614
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,266 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/3109
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. L.F. Portier),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. G.E. Angela).
Procesverloop
Bij besluit van 23 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van eiser ingetrokken met terugwerkende kracht tot 22 februari 2020 en de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van eiser ingetrokken met terugwerkende kracht tot 22 februari 2015. Verder heeft verweerder bepaald dat aan eiser niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend. Verweerder heeft bij het bestreden besluit ook een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.
Eiser heeft op 21 maart 2023 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 9 mei 2023 heeft hij zijn beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft de Mongolische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 1994. Aan eiser is met ingang van 22 februari 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, geldig van 22 februari 2015 tot 22 februari 2020. Eiser is bij beschikking van 22 februari 2020 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, geldig vanaf 22 februari 2020.
Het bestreden besluit
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ingetrokken met terugwerkende kracht tot 22 februari 2020. Daarnaast heeft verweerder bij het betreden besluit de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw ingetrokken met terugwerkende kracht tot 22 februari 2015. Verweerder legt aan deze intrekkingen ten grondslag dat de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser, op grond waarvan aan hem de verblijfsvergunningen zijn verleend, niet langer geloofwaardig wordt geacht; eiser heeft hierover onjuiste gegevens verstrekt.
2.1.
Op 13 januari 2022 heeft mevrouw [persoon A] , die net als eiser de Mongolische nationaliteit heeft, een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend met als doel verblijf bij partner. Volgens deze aanvraag is eiser haar partner is en zijn uit hun relatie twee kinderen geboren; [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 en [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2021. Eiser is in het bezit gesteld van verblijfsvergunningen asiel vanwege zijn geloofwaardig geachte homoseksuele geaardheid. Eiser heeft tijdens zijn asielprocedure meerdere keren nadrukkelijk verklaard dat hij geen gevoelens voor vrouwen heeft. Nu is echter gebleken dat er tussen eiser en [persoon A] sprake is van een relatie waaruit twee kinderen zijn geboren. Derhalve is de door eiser gestelde homoseksualiteit volgens verweerder niet langer geloofwaardig en moet worden geconcludeerd dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt. Als hij dat niet had gedaan, waren de verblijfsvergunningen niet aan hem verleend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat intrekking van de verblijfsvergunningen niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het bestreden besluit kan ook de toets aan het evenredigheidsbeginsel doorstaan, aldus verweerder.
Beoordeling
Eiser heeft onjuiste gegevens verstrekt
3. Volgens eiser heeft verweerder hem ten onrechte tegengeworpen dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt. Eiser stelt dat hij pas in Nederland gevoelens heeft gekregen voor vrouwen en heeft ontdekt dat hij biseksueel is. Volgens eiser houdt verweerder er geen rekening mee dat het om gevoelens gaat en niet om verklaringen over feiten.
3.1.
In het bestreden besluit licht verweerder toe dat de verklaringen van eiser over zijn (huidige en eerdere) relaties en over zijn kennis van en contacten met lhbti-groepen, eerst in Mongolië en later in Nederland, onvoldoende zijn om aan te nemen dat eiser homoseksueel is. Eiser heeft in Mongolië en in Nederland geen contact gezocht met lhbti-groepen en hij heeft zich daar in Nederland ook niet in verdiept.
3.2.
Eiser heeft naar eigen zeggen in Nederland een relatie met [persoon B] gehad, maar hij heeft die relatie niet onderbouwd met foto’s of controleerbare gegevens. Hetzelfde geldt voor de gestelde huidige relatie van eiser met een biseksuele man uit Mongolië. Eiser heeft zelfs de naam van deze man niet genoemd. Omdat eiser geen concrete informatie heeft verstrekt over zijn gestelde relatie met deze mannen, hoefde verweerder niet op grond van eisers verklaringen over deze relaties aan te nemen dat eiser ontdekt heeft dat hij biseksueel is en (met medeweten en goedvinden van zijn vrouwelijke partner) in Nederland een relatie heeft gehad met [persoon B] en nu een relatie heeft met een andere man.
3.3.
De verklaringen van eiser over zijn ervaringen en persoonlijke beleving met betrekking tot zijn homoseksuele geaardheid en wat die voor hem en zijn omgeving heeft betekend zijn destijds geloofwaardig geacht, net als eisers verklaringen over de door hem ondervonden problemen als gevolg hiervan en over zijn vrees bij terugkeer. In dat kader heeft eiser onder meer verklaard dat hij in Mongolië heeft gezoend met meisjes en hun borsten en billen heeft aangeraakt, maar dat dit niets met hem deed. Ook een relatie met een meisje in Mongolië deed eiser niets. Hij concludeerde daarom dat hij niets voelde voor meisjes, terwijl hij wel gevoelens had voor jongens. Nu verklaart eiser dat hij bij nader inzien vrouwen ook aantrekkelijk vindt, bijvoorbeeld vanwege hun billen, zij het dat hij meer op mannen valt dan op vrouwen. Deze verklaringen acht verweerder niet ten onrechte niet geloofwaardig. Het kan gebeuren dat het inzicht in de eigen seksuele oriëntatie zich in de loop van de tijd ontwikkelt, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit ook voor hem geldt. In Mongolië heeft eiser naar eigen zeggen als het ware de proef op de som genomen en was het voor hem heel duidelijk dat vrouwen hem niets deden, wat nu anders zou zijn. Hiervoor heeft eiser geen aannemelijke toelichting gegeven. Het feit dat er thans sprake is van een langdurige relatie met [persoon A] en dat uit hun relatie twee kinderen zijn geboren, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser. Ook als wordt uitgegaan van de door eiser gestelde omstandigheden waaronder hun eerste kind is verwekt, geldt dat er daarna ook een tweede kind is gekomen.
3.4.
Gelet op het voorgaande acht verweerder niet ten onrechte niet langer geloofwaardig dat eiser ten tijde van de asielprocedure homoseksueel was. Verweerder stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt en dat de verblijfsvergunningen hem niet waren verleend als hij dat niet had gedaan. Overigens had het op de weg van eiser gelegen om bij het indienen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd aan verweerder mee te delen dat hij inmiddels een relatie met een vrouw had (en een kind). Gelet op de grond voor verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had eiser moeten begrijpen dat deze informatie belangrijk was.
3.5.
De beroepsgrond dat eiser geen onjuiste gegevens heeft verstrekt, slaagt dus niet.
Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 8 EVRM of het evenredigheidsbeginsel
4. Eiser voert aan dat de intrekking van zijn verblijfsvergunningen in strijd is met artikel 8 van het EVRM en het evenredigheidsbeginsel. Eiser stelt dat zijn zoon [naam kind 1] nog altijd in het bezit is van een verblijfsvergunning. Intrekking van eisers verblijfsvergunningen zou ertoe leiden dat eiser wordt gescheiden van zijn zoon. Ter zitting heeft eiser er verder op gewezen dat hij in Nederland werk en sociale contacten heeft en dat ook zijn gezinsleden banden hebben met Nederland.
4.1.
In het verweerschrift heeft verweerder opgemerkt dat de verblijfsvergunning van de oudste zoon van eiser bij beschikking van 15 mei 2023 is ingetrokken, dat het daartegen ingediende bezwaar bij beschikking van 13 maart 2024 ongegrond is verklaard en dat op het daartegen ingestelde beroep (AWB 24/5851) nog geen uitspraak is gedaan. Niet in geschil is dat (ook) de partner en het jongste kind van eiser geen verblijfsvergunning in Nederland hebben. De rechtbank volgt eiser niet in zijn vrees dat hij als gevolg van het bestreden besluit van zijn kinderen zal worden gescheiden. Omdat de gezinsleden geen verblijfsvergunning in Nederland (meer) hebben en alle gezinsleden de Mongolische nationaliteit hebben, kan het gezin gezamenlijk terugkeren naar Mongolië. Het intrekken van de verblijfsvergunning van eiser zal dan ook niet tot gevolg hebben dat de gezinsleden van elkaar worden gescheiden. De stelling van eiser dat zijn partner met de kinderen op een andere plaats dan eiser zal gaan wonen als zij moet terugkeren naar Mongolië leidt niet tot een andere conclusie. Als dat gebeurt, is dat de keuze van de partner van eiser en niet een gevolg van het bestreden besluit waarvoor verweerder verantwoordelijk is.
4.2.
Niet in geschil is dat verweerder alle van belang zijnde feiten en omstandigheden kenbaar bij de afweging heeft betrokken. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het intrekken van eisers verblijfsvergunningen of dat verweerder eiser ten onrechte niet ambtshalve in het bezit heeft gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Weliswaar heeft eiser werk en sociale contacten in Nederland, maar hij heeft zijn sociale banden met Nederland nauwelijks geconcretiseerd en niet onderbouwd waarom daaraan volgens hem meer gewicht toekomt dan aan het belang bij het bereiken van de situatie zoals die zou zijn geweest als eiser geen onjuiste gegevens had verstrekt.
4.3.
Zoals hiervoor is besproken, kan het gezinsleven in Mongolië worden voortgezet. Dat terugkeer naar Mongolië (ook) voor eisers partner en kinderen een zware slag zal zijn, maakt dit niet anders. Het bestreden besluit heeft alleen betrekking op de verblijfsrechtelijke positie van eiser. Dat neemt niet weg dat het besluit feitelijk ook gevolgen zal hebben voor eisers gezinsleden. Verweerder acht die gevolgen niet ten onrechte niet in strijd met artikel 8 van het EVRM of het evenredigheidsbeginsel. De vrouwelijke partner van eiser heeft nooit een verblijfsvergunning in Nederland gehad. Evenmin heeft eiser in deze beroepsprocedure concreet onderbouwd waarom van zijn kinderen niet kan worden verlangd in Mongolië te gaan wonen.
4.2.
De hierop betrekking hebbende beroepsgronden slagen niet.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Horst - van Dee, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2025.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.