Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:16469
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,477 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 24/5642 (beroep) en AWB 23/9048 (voorlopige voorziening).
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 5 september 2025 in de zaken tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: E. Septanika),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'studie'.
1.1
Verweerder heeft bij besluit van 28 februari 2023 de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken. Ook is een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Indonesië, met een vertrektermijn van vier weken opgelegd aan eiseres.
1.2
Met het bestreden besluit van 17 juli 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.3
Eiseres heeft zowel een beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (AWB 24/5642) als een verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 23/9048) ingediend.
1.4
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens verweerder is niemand verschenen.
Waarover gaat deze zaak?
2. Eiseres is in 2015 naar Nederland gekomen voor studie. De destijds verleende vergunning is in 2018 ingetrokken. Laatstelijk is haar een verblijfsvergunning verleend voor een studie aan de Wittenborg University (hierna: Wittenborg). Die vergunning heeft verweerder met ingang van 8 juli 2022 ingetrokken, omdat Wittenborg haar per die datum heeft afgemeld. Deze intrekking heeft verweerder in bezwaar gehandhaafd. Eiseres is het daar niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld bij de rechtbank.
Beoordeling
3. De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het beroep daarom ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze conclusie is gekomen.
Wel of geen beroep?
4. Verweerder heeft bij zijn brief van 24 juli 2025 een aantal bijlagen gevoegd, waarbij hij aangeeft die desgewenst op zitting te kunnen toelichten. Verweerder is op zitting niet verschenen om een toelichting te geven, maar de rechtbank begrijpt uit deze brief dat verweerder zich afvraagt of er in deze zaak wel beroep is ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Op het door eiseres ingediende formulier staat weliswaar alleen een kruisje bij “voorlopige voorziening”, maar uit dit formulier en ook uit de later gegeven toelichting valt af te leiden dat eiseres – die niet wordt bijgestaan door een professionele gemachtigde – heeft beoogd ook beroep in te stellen.
Procesbelang
5. Eiseres verblijft intussen niet meer in Nederland. Zij is teruggekeerd naar Indonesië. Haar doel is nog steeds om in Nederland te studeren en om hier een studie af te ronden. Zij zou dit graag willen doen in Rotterdam, aan de Hogeschool. Zij geeft aan dat zij als gevolg van de onderhavige intrekking, problemen heeft met het bemachtigen van een verblijfsvergunning hiervoor. Omdat verweerder niet op zitting is verschenen, kon de rechtbank deze stelling van eiseres niet aan verweerder voorleggen. Mede in het licht hiervan ziet de rechtbank aanleiding om procesbelang aan te nemen.
Mocht verweerder de verblijfsvergunning intrekken
6. Niet in geschil is dat eiseres op het moment van de intrekking niet meer voldeed aan de voorwaarden waaronder haar vergunning was verleend. Zij stond immers sinds 8 juli 2022 niet meer ingeschreven bij Wittenborg. Verweerder mocht haar vergunning op grond van de geldende regels – waaraan verweerder zich moet houden en waaraan de rechtbank moet toetsen – dan ook intrekken. Dat zij zich op dat moment nog oriënteerde op een nieuwe opleiding in Nederland maakt niet dat verweerder haar vergunning niet mocht intrekken. Voor een nieuwe opleiding kan zij, zoals verweerder aangeeft op pagina 2 van het bestreden besluit, desgewenst een nieuwe aanvraag indienen, waarbij een onderwijsinstelling optreedt als erkend referent.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
8. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van de vereiste connexiteit .
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr.M.J.J. Roks, griffier.
Dictum
griffier
(voorzieningen)rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk.