Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:16461
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,983 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.13380
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam1] , eiser 1,
V-nummer: [nummer1] ,
[naam2]
, eiseres,
V-nummer: [nummer2] ,
[naam3]
, eiser 2,
V-nummer: [nummer3] ,
[naam4]
, eiser 3,
V-nummer: [nummer4] ,
[naam5]
, eiser 4,
V-nummer: [nummer5] ,
[naam6]
, eiser 5,
V-nummer: [nummer6] ,
allen van Eritrese nationaliteit,
hierna tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen om nareis op en gezinshereniging met [naam referent] (referent).
1.1.
In deze zaak staat de geboortedatum van referent centraal. Eisers beogen verblijf bij referent in Nederland. De minister heeft de aanvragen afgewezen, omdat referent ten tijde van zijn asielaanvraag in Nederland meerderjarig was. Zijn ouders komen in dat geval niet in aanmerking voor nareis. De aanvragen voor hun andere kinderen zijn daarom ook afgewezen. Referent heeft in deze procedure documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij ten tijde van zijn asielaanvraag minderjarig was. Deze documenten overtuigen de minister niet. Eisers zijn het daar niet mee eens.
1.2.
De rechtbank is van oordeel dat eisers in deze procedure niet kunnen bereiken dat de juistheid van de geboortedatum van referent kan worden onderzocht. Hierna legt zij uit hoe zij tot dat oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 8 juni 2021 is aan referent een asielvergunning voor bepaalde tijd verleend met ingang van 10 december 2019.
2.1.
Eisers hebben op 19 augustus 2021 aanvragen ingediend om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis op en gezinshereniging met referent.
2.2.
Met de primaire besluiten van 19 september 2022 heeft de minister de aanvragen afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 april 2023 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing gebleven. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld op 2 mei 2023.
2.3.
Partijen hebben afwisselend vijf keer om uitstel van behandeling van de zaak verzocht, om referent in de gelegenheid te stellen zijn gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) te laten wijzigen. De minister heeft daarna in februari 2025 verzocht om uitstel van de zaak, om referent alsnog te horen.
2.4.
De minister heeft op 1 april 2025 een nieuw besluit genomen en is bij de afwijzing van de aanvragen gebleven. Op grond van artikel 6:19 van de Awb heeft het beroep ook betrekking op dit besluit.
2.5.
Eisers hebben aanvullende gronden ingediend. Een zevende verzoek tot uitstel van de zaak is afgewezen.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Het onderzoek is op zitting gesloten.
Beoordeling
Griffierecht
3. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet in wat zij hebben aangevoerd aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eisers hoeven daarom geen griffierecht te betalen.
Feiten
4. Referent is in 2016 gevlucht uit Eritrea. Hij heeft op 10 december 2019 asiel aangevraagd in Nederland en heeft daarbij opgegeven dat hij geboren is op [geboortedatum 1] . De minister heeft aan referent een asielvergunning verleend, maar heeft daarbij de leeftijdsregistratie van referent in Italië betrokken. In de asielbeschikking is de geboortedatum van referent vastgesteld op [geboortedatum2 1] . Dit besluit staat in rechte vast, omdat referent hiertegen geen rechtsmiddel heeft ingediend.
4.1.
Eisers hebben bij de mvv-aanvragen op 19 augustus 2021 aangegeven dat de geboortedatum van referent in de BRP niet klopt. Ter onderbouwing is een personal christian card overgelegd, die [geboortedatum 2] als geboortedatum vermeldt (hierna: doopbewijs). In bezwaar hebben eisers een originele geboorteakte van referent overgelegd, die ook deze geboortedatum vermeldt. Daarnaast zijn ter onderbouwing van de aanvragen geboorteakten van eisers en de huwelijksakte van eiser 1 en eiseres overgelegd.
4.2.
Bij het bestreden besluit heeft de minister de mvv-aanvragen afgewezen, omdat referent meerderjarig was ten tijde van zijn asielaanvraag. Volgens de minister hebben eisers geen officiële documenten overgelegd waaruit blijkt dat referent is geboren op [geboortedatum 3] . Het doopbewijs is namelijk niet afgegeven door de Eritrese autoriteiten. De geboorteakte van referent is onderzocht en weliswaar echt bevonden, maar dat leidt volgens de minister niet tot inwilliging omdat de BRP gegevens van referent leidend zijn.
4.3.
De minister heeft referent in de beroepsfase alsnog gehoord. Bij het vervangende besluit is de minister bij de afwijzing van de mvv-aanvragen gebleven, omdat de BRP gegevens van referent leidend zijn en referent de leeftijdsvaststelling niet in de asielprocedure heeft aangevochten. De overgelegde documenten overtuigen de minister niet van een latere geboortedatum. De minister doet daarom geen terugmelding aan de gemeente tot wijziging van de BRP. Hoewel de geboorteakte echt is bevonden, is volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat deze bevoegd is opgemaakt en afgegeven. De verklaringen van referent over de wijze van verkrijging van de geboorteakte stroken namelijk niet met informatie uit het Algemeen ambtsbericht inzake Eritrea van 2022 (hierna: ambtsbericht). Ook heeft het doopbewijs beperkte bewijswaarde, omdat het door kerkelijke autoriteiten is opgemaakt. Daarnaast heeft de minister tegengeworpen dat referent met een latere geboortedatum minderjarig zou zijn ten tijde van zijn oproep tot militaire dienst en dat hij wisselend heeft verklaard over de volgens hem onjuiste leeftijdsregistratie in Italië.
4.4.
Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen. Op wat namens hen is aangevoerd gaat de rechtbank hierna in.
Over het bestreden besluit
5. De rechtbank stelt vast dat de minister heeft erkend dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek kende. Op zitting is toegelicht dat een motivering met betrekking tot een mogelijke terugmelding aan de gemeente tot wijziging van de BRP ontbrak. Ook heeft de minister aanleiding gezien om referent alsnog te horen. Dat betekent dat eisers in eerste instantie terecht hebben aangevoerd dat de minister ten onrechte referent niet heeft gehoord in bezwaar. Om deze redenen is het beroep gegrond, voor zover dit gericht is tegen het bestreden besluit. De overige beroepsgronden tegen het bestreden besluit worden door de rechtbank hierna betrokken.
Over het vervangende besluit
6. Eisers hebben aangevoerd dat referent ten tijde van zijn asielaanvraag minderjarig was. De minister heeft volgens hen ten onrechte geen terugmelding gedaan tot wijziging van de BRP. Referent heeft overgelegd wat voor hem mogelijk is. Er is een echt bevonden geboorteakte en indicatief bewijs in het doopbewijs. Referent heeft toegelicht hoe hij deze documenten heeft verkregen. Volgens eisers is het innerlijk tegenstrijdig dat de geboorteakte echt is, maar volgens de minister niet bevoegd zou zijn opgemaakt en afgegeven. Eisers hebben aangevoerd dat het ambtsbericht daarover geen sluitende informatie bevat, omdat het erkent dat er regionaal verschillen zijn met betrekking tot de afgifte van documenten. Ook is gewezen op bronnen waaruit andere informatie over de verkrijging van de geboorteakte volgt, dan die de minister tegenwerpt.
6.1.
Daarnaast hebben eisers aangevoerd dat de minister ten onrechte stelt dat de leeftijdsvaststelling van referent in zijn asielprocedure moest worden aangevochten. Een formele scheiding tussen de procedures doet volgens eisers af aan het doel en nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Ook was er eerder geen bewijs van de leeftijd van referent. Referent verkeert in bewijsnood ten aanzien van het verkrijgen van andere documenten en krijgt de legalisatie van zijn geboorteakte niet rond, waardoor de gemeente weigert zijn gegevens in de BRP te wijzigen. In dit verband is ook betoogd dat niet van referent mag worden verlangd om zich tot de Eritrese autoriteiten te wenden, omdat hij voor hen vreest. Referent heeft dat desondanks wel gedaan, maar is tweemaal weggestuurd. Daarnaast hebben eisers aangevoerd dat de minister het vertrouwen heeft gewekt dat het moeizaam verkregen bewijs in bezwaar tot inwilliging zou leiden. Tot slot is gesteld dat referent heeft geprobeerd uit te leggen hoe de registratie in Italië onjuist tot stand is gekomen. Bij de laatste aanvullende gronden zijn de (onvertaalde) Tazkera van eiser 1 en bewonerspas van eiseres overgelegd.
7. De rechtbank stelt voorop dat de geboortedatum van referent een in rechte vaststaand gegeven is. De leeftijdsvaststelling van referent heeft in zijn asielprocedure plaatsgevonden en hij heeft dit niet aangevochten. In de BRP is [geboortedatum2 2] als geboortedatum opgenomen. De rechtbank overweegt dat referent een wijziging hiervan beoogt, maar dat hij de minister niet om herziening van de asielbeschikking heeft verzocht. Wel heeft referent via de gemeente getracht zijn BRP gegevens te wijzigen, maar dit is niet gelukt omdat de geboorteakte niet gelegaliseerd is. Dit laat onverlet dat de asielbeschikking formele rechtskracht heeft. Doorbreking van formele rechtskracht is mogelijk in bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld als sprake is van nova: nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Of indien sprake is van een evident onredelijk besluit.
7.1.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat gesteld noch gebleken is dat het asielbesluit van referent evident onredelijk is. Het enkele feit dat in onderhavige procedure de juistheid van de in de asielprocedure vastgestelde geboortedatum van referent wordt bestreden maakt niet dat sprake is van evidente onredelijkheid. Voorts is relevant dat desgevraagd namens referent op zitting is gesteld dat referent niet heeft beoogd om herziening van het asielbesluit te vragen, een verzoek heroverweging te doen of een herhaalde aanvraag te doen aan de hand van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat evenmin is gebleken van (overige) bijzondere omstandigheden die maken dat de minister in de onderhavige procedure alsnog de geboortedatum van referent had moeten wijzigen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
7.2.1.
De door eisers overgelegde geboorteakten zijn alle afgegeven op 16 april 2021 en door hen in september 2021 ingebracht in de procedure. Ook de geboorteakte van referent is afgegeven op 16 april 2021. Deze is echter eerst in februari 2023 feitelijk ingebracht in de procedure. De rechtbank acht de verklaring van referent dat hij zulks niet eerder deed omdat door de minister niet om zijn geboorteakte was gevraagd niet overtuigend, nu immers de juistheid van de vastgestelde geboortedatum door referent werd bestreden.
Conclusie
8. Van bijzondere omstandigheden die maken dat de minister in de onderhavige procedure alsnog de geboortedatum van referent had moeten wijzigen is niet gebleken. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat de door referent overgelegde documenten onvoldoende zijn om de door hem gestelde latere geboortedatum te onderbouwen. De minister heeft dan ook niet ten onrechte gesteld dat de BRP gegevens van referent leidend zijn en dat de documenten onvoldoende zijn om een terugmelding te doen aan de gemeente.
9. Het beroep is deels gegrond. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek en zal worden vernietigd. Met het nieuwe besluit is het gebrek hersteld. Voor zover het beroep is gericht tegen het nieuwe besluit is het beroep ongegrond. De minister heeft de mvv-aanvragen terecht afgewezen, omdat de ouders van referent niet tot de kring van personen behoren die op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw een afgeleide verblijfsvergunning asiel op grond van nareis kunnen krijgen. De minister heeft de aanvragen ten behoeve van de broers van referent daarom ook terecht afgewezen, omdat aangenomen mag worden dat zij familieleven met hun ouders hebben. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven en eisers geen gelijk krijgen.
10. Omdat het beroep deels gegrond is veroordeelt de rechtbank de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van nadere gronden na het nieuwe besluit, met een waarde per punt van € 907,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep deels gegrond;
vernietigd het bestreden besluit van 21 april 2023;
bepaalt dat de rechtgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
De Algemene wet bestuursrecht.
Zie de Werkinstructie 2024/3 en artikel 2.34, eerste lid, van de Wet BRP.
Vergelijk het Dangeville arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van
16 april 2002, Dangeville tegen Frankrijk, 36677/97, ECLI:CE:ECHR:2002:0416JUD003667797.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie de uitspraken van 16 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3146 en ECLI:NL:RVS:2019:3147 en van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:245.
De Vreemdelingenwet 2000.