Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:16379
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,039 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41739
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Schoot).
Inleiding
Met het besluit van 25 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag
van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de
behandeling daarvan.
Verzoeker heeft beroep (NL25.28342) ingesteld tegen het bestreden besluit.
Bij uitspraak van 17 juli 2025 heeft de rechtbank dit beroep ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij niet aan Zwitserland wordt overgedragen voordat er op het verzet is beslist.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter doet op op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is, zoals bedoeld in de Dublinverordening. Uit het bericht van verweerder van 1 september 2025 volgt dat verzoeker op 4 september 2025 zal worden overgedragen aan Zwitserland. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzet van verzoeker niet kan worden behandeld voordat de geplande overdracht zal plaatsvinden. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt in deze zaak het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn verzet aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker daarvóór al over te dragen. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat verzoeker op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb in de gelegenheid moet worden gesteld op de zitting aanwezig te zijn. Daarnaast heeft verweerder medegedeeld zich niet te verzetten tegen de door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal dan ook het verzoek om een voorlopige voorziening op de hierna te melden wijze als kennelijk gegrond toewijzen.
4. In de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 907 bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit en verbiedt verweerder verzoeker uit Nederland te verwijderen tot de uitspraak op het verzet bekend is gemaakt;
- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ter hoogte van € 907.
Deze uitspraak is gedaan op 3 september 2025 door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Algemene wet bestuursrecht.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) Nr. 604/2013.