Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:16363
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
3,248 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25552
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
V [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Balkenende),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. B.J.W. Immink)
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1. Eiser heeft op 5 maart 2019 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag is niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk was voor de afhandeling daarvan. Het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling is op 12 augustus 2019 ongegrond verklaard. Er heeft geen overdracht plaatsgevonden omdat eiser na de uitspraak met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser heeft zich op 2 maart 2023 opnieuw gemeld voor een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. Hij stelt van [nationaliteit] nationaliteit te zijn. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 3 juni 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook is een tolk verschenen.
Beoordeling
Het asielrelaas
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij Kameroen in augustus 2017 heeft verlaten, omdat de vrienden bij wie hij woonde zijn beschoten door de Kameroense politie. Zijn vrienden zijn daarbij overleden. Zijn vrienden werden ervan verdacht voor Boko Haram te werken. Eiser heeft verklaard ook beschoten te zijn en dat hij een kogel in zijn bil heeft gekregen. Eiser is naar Nigeria gevlucht en heeft daarbij hulp gehad van een man op een motor die hij onderweg tegenkwam. Eiser vreest bij terugkeer naar Kameroen te worden gedood.
2.1.
Eiser heeft ten behoeve van zijn asielaanvraag een identiteitskaart van het consulaat van Kameroen te Parijs overgelegd.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- De problemen met de politie.
3.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Het asielmotief is vervolgens niet alsnog geloofwaardig geacht. Eiser voldoet volgens de minister niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, c en d van de Vw. Eiser heeft onvoldoende en valse documenten overgelegd en hij heeft daarvoor geen goede verklaring. De minister verwijst naar het onderzoek van Bureau Documenten. Daarnaast vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister verwijst in dit verband naar de uitkomst van het herkomstonderzoek. Tot slot heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, namelijk pas na ten minste twee weken na aankomst in Nederland, en eiser heeft daar geen goede verklaring voor. De minister heeft het asielrelaas daarom vervolgens niet inhoudelijk getoetst.
3.2.
De minister concludeert dat de asielaanvraag van eiser kennelijk ongegrond is op grond van artikel 30b, eerste lid onder c en onder h van de Vw 2000. Aan eiser is om medische redenen uitstel van vertrek verleend van 3 juni 2025 tot en met 3 december 2025.
Heeft de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig kunnen vinden?
4. In dit verband stelt de rechtbank voorop dat het van belang is dat het, gegeven de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw op de vreemdeling rustende bewijslast, aan hem is om zijn herkomst en nationaliteit aannemelijk te maken en niet aan de minister om het tegendeel aannemelijk te maken.
De overgelegde identiteitskaart
4.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte stelt dat de identiteitskaart vals is, terwijl uit het rapport van Bureau Documenten alleen blijkt dat het document hoogstwaarschijnlijk niet echt is. De kwalificatie ‘vals’ is niet gesteld waardoor hoogstens gesteld kan worden dat eiser zijn identiteit niet heeft aangetoond maar niet dat die niet geloofwaardig is. Eiser heeft er ook op gewezen dat zijn identiteit en nationaliteit in de eerdere Dublin-procedure wel geloofwaardig zijn bevonden.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser een identiteitsdocument heeft overgelegd waarvan uit onderzoek is gebleken dat het hoogstwaarschijnlijk niet echt is. Dat dit een andere kwalificatie is dan ‘vals’ doet er niet aan af dat eiser zijn identiteit met dit document niet geloofwaardig heeft kunnen maken en dat het overleggen ervan bijdraagt aan de ongeloofwaardigheid van het asielmotief. De rechtbank betrekt daar ook bij dat eiser wisselend heeft verklaard over de manier waarop hij de, volgens hem aan het consulaat van Kameroen getoonde, originele geboorteakte is kwijtgeraakt. Aanvankelijk heeft eiser gesteld dat hij het document in de trein is verloren, later blijkt hij het nog wel in bezit te hebben maar in de zienswijze op het voornemen stelt eiser dat het document in de was verloren is gegaan. Ten slotte wijst de rechtbank erop dat uit de door eiser genoemde openbare informatie van het Kameroense consulaat blijkt dat voor het afgeven van een consulaire identiteitskaart ook een origineel of kopie van een paspoort nodig is (naast de geboorteakte). Eiser heeft verklaard nooit een paspoort te hebben gehad maar desalniettemin de identiteitskaart te hebben kunnen verkrijgen.
4.3.
De vaststellingen van identiteit en nationaliteit in de Dublin-procedure leiden niet tot een ander oordeel omdat pas in de inhoudelijke behandeling van de aanvraag vastgesteld wordt wat de identiteit, nationaliteit en herkomst van de aanvrager is. In het kader van de Dublin-procedure wordt alleen vastgesteld welk land deze inhoudelijke beoordeling moet gaan uitvoeren.
Het herkomstonderzoek
4.4.
Eiser voert aan dat de minister niet of in elk geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser de vragen uit het herkomstonderzoek niet goed genoeg heeft beantwoord. Daarbij is ook niet duidelijk geworden welk referentiekader de minister heeft gehanteerd. Miskend is dat eiser te kampen heeft met psychische klachten.
4.5.
De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het verslag van het aanmeldgehoor blijkt dat de minister aan eiser een aantal herkomstvragen heeft gesteld omdat eiser geen identificerende documenten had overgelegd om zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen. In het verslag zijn de gestelde vragen en de door eiser gegeven antwoorden vermeld. In het bestreden besluit heeft de minister gesteld dat onder andere de topografische kennis wordt onderzocht. Dat eiser zijn gestelde woonplaats heeft kunnen noemen is voor de minister onvoldoende zwaarwegend in de beoordeling. Daarnaast, zo stelt de minister in het besluit, heeft eiser kunnen verklaren dat er ziekenhuizen zijn. De minister acht dat te algemeen van aard. De overige verklaringen omtrent de herkomst zijn volgens de minister met een negatief resultaat afgelegd. Ook stelt de minister dat van de ruim veertig vragen maar vier met een positief resultaat zijn afgelegd en dat is onvoldoende. Desgevraagd heeft de minister ter zitting echter niet kunnen toelichten welke vragen goed zijn beantwoord en heeft haar gemachtigde ook niet meer informatie kunnen geven over de vragen die niet juist beantwoord zijn.
4.6.
Het is aan eiser om vragen over zijn gestelde woon- en leefomgeving afdoende te beantwoorden. Van de minister mag evenwel worden verwacht dat deze uitlegt waarom eiser hier niet in is geslaagd. De rechtbank oordeelt dat de minister niet kenbaar en navolgbaar heeft gemotiveerd op grond waarvan het herkomstonderzoek voor eiser negatief is uitgevallen. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden welke vragen juist of onjuist zijn beantwoord en welk gewicht aan het juist dan wel onjuist beantwoorden van de diverse vragen is gegeven. Eiser betwist bovendien dat hij zoveel vragen verkeerd heeft beantwoord. De minister heeft daarover desgevraagd geen opheldering kunnen geven. Om deze reden is het bestreden besluit gebrekkig gemotiveerd en daarmee in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.
Aanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend
4.7.
Eiser stelt – kort samengevat – dat uit het aanmeldgehoor Dublin van 7 maart 2019 blijkt dat hij zich tijdig heeft gemeld. Daarnaast was de vraagstelling bij het nader gehoor voor eiser onduidelijk en vooral gerelateerd aan de aanmelding in 2023.
4.8.
De rechtbank oordeelt als volgt. Vaststaat dat het onderhavige besluit een beslissing is op de aanvraag van 4 maart 2019.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Dat betekent dat de minister opnieuw op de aanvraag zal moeten beslissen. Omdat de minister opnieuw op de aanvraag moet beslissen, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de aanvraag terecht kennelijk ongegrond is verklaard. De rechtbank zal de minister opdragen om binnen zes weken na de uitspraak een nieuw besluit te nemen.
5.1.
Omdat het beroep gegrond verklaard wordt, zal de rechtbank de minister veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van eiser. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en is ter zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1,0 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt het besluit van 3 juni 2025;
bepaalt dat de minister binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuwe beslissing neemt op de aanvraag van eiser;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814 aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaargemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 27 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:977.
Zie de door eiser genoemde link in de aanvullingen en correcties op het nader gehoor.
Zie met name blz. 6 tot en met 8, 10 en 11 van het verslag aanmeldgehoor van 31 juli 2023.
Blz. 3 en 4.
Zie bijvoorbeeld vgl. ABRvS 16 januari 2008, 200707805/1, ECLI:NL:RVS:2008:3401 .
Blz. 4 en 5 van het Nader gehoor.