Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:16326
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,087 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40193
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 23 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 27 augustus 2025 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 28 augustus 2025 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 1 september 2025.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1997 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de zware gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Eiser voert ten aanzien van zware grond 3a aan dat hij als doel had om in Nederland een asielaanvraag in te dienen. Ten aanzien van zware gronden 3b en 3k voert eiser aan dat hij vreest door Zwitserland te worden teruggestuurd naar Marokko.
4. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel niet kunnen dragen. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij zonder paspoort Nederland is binnen gekomen. Zware grond 3a is daarmee feitelijk juist. Dat eiser asiel wilde aanvragen in Nederland, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. De vrees die eiser heeft om door Zwitserland naar Marokko te worden teruggestuurd, doet voorts niet af aan de feitelijke juistheid van zware gronden 3b en 3k. Daarbij is van belang dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft deze gronden dan ook aan de maatregel ten grondslag kunnen leggen. Verder stelt de rechtbank vast dat de lichte gronden ook feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn in de maatregel. De zware en lichte gronden kunnen de maatregel dragen.
5. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiting van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 september 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.