Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:16111
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,407 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35502
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , [v-nummer 1] , eiseres
mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1]
, [v-nummer 2] ,
[minderjarige 2]
, [v-nummer 3] ,
[minderjarige 3]
, [v-nummer 4]
en
[minderjarige 4]
, [v-nummer 5]
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 31 juli 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.35503), op 22 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Eiseres stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983. Zij heeft haar asielaanvraag in Nederland op 7 juni 2025 ingediend.
2.2.
Uit Eurodac is gebleken dat eiseres op 21 februari 2025 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Nederland heeft op 27 juni 2025 Duitsland verzocht om eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Duitsland heeft dit verzoek op 30 juni 2025 aanvaard.
2.3.
Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder vindt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiseres volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om haar asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling
3. Eiseres voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er is sprake van gebreken in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Bij een overdracht aan Duitsland loopt eiseres het risico op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van het Handvest.
3.1.
Uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar geval niet kan en dat in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiseres daar een reëel risico zal lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo).
3.2.
Niet is gebleken dat de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Duitsland systeemfouten bevatten zoals hiervoor bedoeld. De enkele stelling van eiseres dat het zo is, zonder dit te staven met objectieve landeninformatie over de situatie van Dublinterugkeerders in Duitsland, is hiervoor onvoldoende. Eiseres heeft ook niet met verklaringen over wat zij persoonlijk heeft meegemaakt in Duitsland aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dat haar eerdere asielaanvraag in Duitsland is afgewezen, is daarvoor niet voldoende. De Duitse autoriteiten hebben bovendien met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiseres in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen. Het voorgaande betekent ook dat verweerder erop mag vertrouwen dat de Duitse autoriteiten het risico op refoulement in overeenstemming met de eisen van het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Handvest zullen beoordelen. Eiseres heeft verder niet met stukken onderbouwd dat haar kinderen in Duitsland niet naar school kunnen. Bij voorkomende problemen met betrekking tot de asielprocedure in Duitsland, of anderszins, ligt het op de weg van eiseres om daarover in Duitsland te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Niet is gebleken dat de Duitse autoriteiten eiseres niet willen helpen of dat klagen onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiseres voert aan dat haar echtgenoot, de heer [persoon A] , eveneens in Nederland verblijft. Verweerder dient om die reden de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk in behandeling te nemen.
4.1.
Voor zover eiseres een beroep doet op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, slaagt dit niet. Verweerder kan op grond van dit artikel een asielaanvraag onverplicht inhoudelijk in behandeling nemen. De rechtbank toetst terughoudend of verweerder gebruik had moeten maken van deze bevoegdheid. Verweerder stelt zich in redelijkheid op het standpunt dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn, dat verweerder haar asielaanvraag in behandeling had moeten nemen. Eiseres heeft immers enkel aangevoerd dat haar (gestelde) echtgenoot in Nederland verblijft en hier een asielprocedure heeft lopen. Gesteld noch gebleken is dat zij afhankelijk is van hem (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3672, r.o. 7.2). Verder geldt dat het bijeenhouden en bijeenbrengen van gezinnen geschiedt op grond van de artikelen 8, 9, 10 11 van de Dublinverordening. Nog los van het feit dat niet is gebleken dat hier sprake is van een gezinslid als bedoeld in artikel 2 van de Dublinverordening (nu uit de stukken blijkt dat eiseres haar gestelde echtgenoot tijdens haar verblijf in Duitsland heeft leren kennen en daar enkel religieus met hem is gehuwd), gaat het in de onderhavige zaak om een terugnameprocedure. De artikelen 8, 9, 10 en 11 zijn opgenomen in hoofdstuk III van de Dublinverordening en dit hoofdstuk is niet van toepassing op de situatie van eiseres. De rechtbank verwijst ter onderbouwing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-582/17 en C-583/17 en de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2019). Hieruit volgt dat, indien er sprake is van een terugnameverzoek in het kader van de Dublinverordening, de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat in hoofdstuk III van de Dublinverordening in beginsel niet van toepassing zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om het verzoek van eiseres van 22 augustus 2025 om deze zaak door te verwijzen naar de zittingsplaats Middelburg, omdat de asielprocedure van de heer [persoon A] daar wordt behandeld, toe te wijzen. Eiseres heeft het verzoek ook pas een uur voor de behandeling van deze zaak ter zitting ingediend.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Arrest van 2 april 2019, ECLI:EU:C:2019:280.