Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:16028
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,367 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.30284
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. D. de Heuvel), en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. M. van Kersbergen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 juli 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.30285), op 23 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 25 april 2025 ingediend.
2.2.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 14 februari 2025 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Nederland heeft op 12 juni 2025 Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Duitsland heeft dit verzoek op
16 juni 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
2.3.
Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder vindt dat eiser niet
aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling
3. Eiser doet een beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Daartoe voert hij aan dat hij zich in Nederland veilig voelt en graag de kans krijgt om zijn asielmotieven hier kenbaar te maken. Hij heeft al veel meegemaakt en wacht al lang op een inhoudelijke behandeling van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft de aangedragen omstandigheden van eiser ten onrechte onvoldoende geacht om zijn asielverzoek alsnog aan zich te trekken. Een overdracht aan Duitsland getuigt van een onevenredige hardheid, aldus eiser.
3.1.
Niet in geschil is dat op grond van de Dublinverordening de Duitse autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Zij hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om de behandeling van eisers asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft niet toegelicht welke persoonlijke omstandigheden verweerder ten onrechte onvoldoende heeft geacht. Ook verder is niet gebleken dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Daarbij wordt betrokken dat eiser in het Aanmeldgehoor Dublin heeft verklaard geen bezwaren te hebben tegen een overdracht aan Duitsland.
3.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.