Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-06
ECLI:NL:RBDHA:2025:16027
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,360 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.35909
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster
mede namens haar minderjarige kind [minderjarige], V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.W. IJland),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: A. van Midden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening tegen het bestreden besluit van 9 mei 2025, waarin de minister verzoekster heeft meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn tijdelijke bescherming). Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit.
1.1.
De minister heeft op het verzoek gereageerd bij brief van 5 augustus 2025.
1.2.
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.2
3. Verzoekster heeft de Oekraïense nationaliteit en wil in Nederland verblijven op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. In het bestreden besluit heeft de minister aan verzoekster meegedeeld dat zij geen recht heeft op tijdelijke bescherming en dat zij daarom geen gebruik meer mag maken van het recht op opvang en voorzieningen uit hoofde van de Richtlijn tijdelijke bescherming.
4. Verzoekster heeft een brief van de gemeente Utrecht van 31 juli 2025 overgelegd waarin staat dat zij geen recht meer heeft op opvang van de gemeente, omdat zij niet langer
1. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 8:81 van de Awb.
onder de Richtlijn tijdelijke bescherming valt. De opvang wordt daarom beëindigd op
7 augustus 2025. Gelet op deze omstandigheid neemt de voorzieningenrechter spoedeisend belang aan.
5. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter primair verzocht om zelf in de bodemzaak te voorzien, positief te beslissen op het bezwaarschrift en het bestreden besluit te vernietigen. De voorzieningenrechter ziet daarvoor op grond van de Algemene wet bestuursrecht geen mogelijkheid. Ook artikel 78 van de Vreemdelingenwet biedt de voorzieningenrechter geen mogelijkheid om te beslissen op het bezwaar van verzoekster omdat het verzoek om voorlopige voorziening niet is gedaan teneinde uitzetting te voorkomen.
6. Subsidiair heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om het bestreden besluit te schorsen. Verzoekster wil haar recht op opvang en voorzieningen op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming behouden totdat de minister heeft beslist op haar bezwaar. In de brief van 5 augustus 2025 heeft de minister meegedeeld dat zij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek voor zover dit ziet op schorsing van het bestreden besluit, inhoudende dat de rechtsgevolgen worden uitgesteld totdat er een beslissing op het bezwaar is genomen.
7. Omdat de minister zich niet verzet tegen toewijzing van de subsidiair gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook geen beletselen ziet om het verzoek om deze voorziening toe te wijzen, wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe. De voorzieningenrechter treft dus de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst totdat de minister heeft beslist op het bezwaar. Dit betekent dat verzoekster gedurende de bezwaarprocedure wordt behandeld alsof zij tijdelijke bescherming heeft op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming.
8. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
schorst het bestreden besluit tot de beslissing op het bezwaar en bepaalt dat verzoekster wordt behandeld alsof zij tijdelijke bescherming heeft op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming totdat op het bezwaar is beslist;
veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 augustus 2025
Documentcode: [Documentcode]
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.