Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:15904
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,022 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12295
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A. de Graaf).
Procesverloop
1. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 maart 2025 de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure buiten behandeling gesteld.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb met toestemming van partijen bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Beoordeling
Heeft eiser procesbelang?
2. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming (MOB) vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel vanuit worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662. Dit is anders als een vreemdeling nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt aangenomen dat hij nog wel prijs stelt op bescherming in Nederland tenzij er andere concrete aanknopingspunten zijn dat dit anders ligt. In het licht van het fundamentele belang van het recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, zal de bestuursrechter voorzichtig moeten omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding.
3. Uit informatie van het COA blijkt dat eiser op 24 september 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft in de gronden van beroep van 24 maart 2025 laten weten dat zij nog contact met eiser onderhoudt. Op 12 augustus 2025, dus ruim vier maanden later, heeft de rechtbank aan de gemachtigde gevraagd of dit nog steeds het geval is. De gemachtigde van eiser heeft daar niet binnen de gestelde termijn van één week op gereageerd. Op de vervolgvraag van de rechtbank of partijen toestemming geven om de zaak zonder zitting af te doen, heeft de gemachtigde van eiser wél gereageerd. Zij heeft toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen. Uit voorgaande omstandigheden leidt de rechtbank af dat de gemachtigde van eiser inmiddels geen contact meer met eiser onderhoudt.
4. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk in Nederland gezochte bescherming. Hij stelt dus kennelijk ook geen prijs meer op een beoordeling van zijn beroep.
5. Gelet op het voorgaande heeft eiser geen procesbelang meer bij de beoordeling van zijn beroep.
Conclusie
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.