Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:15735
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,812 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34972
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 16 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 juni 2025 (in de zaak NL25.25484) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 11 juni 2025.
Voortvarend handelen
3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Eiser is van mening dat de rappels aan de autoriteiten van Algerije te algemeen van aard zijn om te concluderen dat namens eisers rappels zijn gestuurd.
4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Uit de voortgangsrapportage volgt dat verweerder in de te beoordelen periode (die loopt van 11 juni 2025 tot en met 6 augustus 2025) op 12 juni 2025, 4 juli 2025 en 24 juli 2025 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten in verband met de op 2 april 2025 ingediende lp-aanvraag. Verder blijkt uit het dossier dat verweerder op 3 juli 2025 en 24 juli 2024 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Door (ongeveer) om de drie weken een vertrekgesprek met eiser te houden en (ongeveer) om de drie weken te rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank, mede in aanmerking genomen dat verweerder bij de huidige stand van de uitzettingsprocedure grotendeels afhankelijk is van de Algerijnse autoriteiten, in de te beoordelen periode voldoende voortvarend aan eisers uitzetting gewerkt. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder extra inspanningen richting de Algerijnse autoriteiten had moeten verrichten. De rechtbank merkt nog op dat eiser ook zelf in contact kan treden met de Algerijnse autoriteiten om zijn terugkeer te bespoedigen, maar dat hij tijdens het vertrekgesprek van 24 juli 2025 heeft verklaard dat het enige waar hij zich voor wil inspannen is dat hij vanuit Nederland direct naar Spanje gaat en dat hij niet in ziet waarom hij mee zou werken aan een terugkeer naar eigen land. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
5. Naar de mening van eiser is er geen sprake van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat er in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije bestaat. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 alsmede naar de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722. Uit de laatste uitspraak volgt dat dit ook geldt voor vreemdelingen met de Algerijnse nationaliteit die niet over geldige grensoverschrijdingsdocumenten of kopieën daarvan beschikken. Er zijn voorts cijfers bekend, waaruit blijkt dat er in 2025 laissez-passers zijn verstrekt op basis waarvan (ook voor ongedocumenteerden) uitzettingen hebben plaatsgevonden.
5.2.
De lp-aanvraag is ingediend bij de Algerijnse autoriteiten op 2 april 2025. Dat er tot op heden geen reactie van de Algerijnse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat thans in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Met een lp-traject bij de Algerijnse autoriteiten gaat in het algemeen de nodige tijd (meerdere maanden) gemoeid. Verweerder rappelleert regelmatig schriftelijk bij de Algerijnse autoriteiten. Er zijn op dit moment geen concrete aanwijzingen dat de Algerijnse autoriteiten geen laissez-passer willen/kunnen verstrekken aan eiser. Van eiser mag verwacht worden dat hij volledig en actief meewerkt aan zijn uitzetting en lp-trajecten. Van medewerking is in de te toetsen periode van dit vervolgberoep niet gebleken. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem door Algerije geen lp zal worden afgegeven. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
6. Uit het voorgaande volgt dat eisers beroepsgronden niet leiden tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode (11 juni 2025 tot en met 6 augustus 2025) op enig moment onrechtmatig is geweest.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Horst - van Dee, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zie de uitspraak van 28 mei 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:9415).