Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:15698
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,436 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.23616
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.A. Vegter),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Overwegingen
1. De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. De minister dient uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking te geven.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen4, vangt de beslistermijn aan op het moment waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.5
1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4 Artikel 30 van de Vw.
5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
4. Eiser heeft op 15 december 2023 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Op 4 maart 2024 heeft de minister Frankrijk verzocht om eiser over te nemen.6 De Franse autoriteiten hebben dit verzoek geaccepteerd op 2 mei 2024. De minister diende eiser vanaf dat moment uiterlijk binnen zes maanden, dus uiterlijk op 2 november 2024, over te dragen.7
5. Op 27 augustus 2024 heeft de minister eiser echter bij brief laten weten dat hij wordt opgenomen in de nationale procedure. De reden hiervan is als volgt. De minister heeft op 7 maart 2024 de Franse autoriteiten verzocht de vrouw en kinderen van eiser over te nemen. Op 7 mei 2024 zijn de autoriteiten van Frankrijk daarmee akkoord gegaan. De claimtermijn was echter verstreken op 5 maart 2024. Het verzoek dat aan Frankrijk is verzonden op 7 maart 2024 is daarmee ongeldig. Het hierop verkregen akkoord kan daarom niet als rechtsgeldig worden aangemerkt. De minister wil het gezin niet scheiden en omdat de vrouw en kinderen van eiser zijn opgenomen in de nationale procedure, zal eiser ook worden opgenomen in de nationale procedure. De minister is daarom op 6 maart 2024 verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
6. Sinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023/3 van kracht.8 Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 16 februari 2024 geoordeeld dat de WBV 2023/3 rechtsgeldig is verlengd.9 Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. De asielaanvraag van eiser valt onder het toepassingsbereik van dit besluit. De beslistermijn in zijn zaak is dus met negen maanden verlengd. De termijn om te beslissen op zijn aanvraag was daarom nog niet verstreken toen hij op 9 mei 2025 de ingebrekestelling indiende bij de minister. De ingebrekestelling is daarmee prematuur. Dat maakt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen door de minister. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. Alleen al om die reden komt de rechtbank niet toe aan het vaststellen van een eventueel verbeurde bestuurlijke dwangsom.
8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
6 Artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening
7 Artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening.
8 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.
9 ECLI:NL:RBDHA:2024:1859.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. 12 augustus 2025
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van M.M. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.