Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:15616
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,629 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15988
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).
Procesverloop
Bij het bestreden besluit van 2 april 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2025 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum 1] 1996 en de Somalische nationaliteit te hebben. Zij heeft op 28 maart 2023 asiel aangevraagd in Nederland, mede voor haar minderjarige zoon [naam] , die is geboren op [datum 2] 2017.
2. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij problemen heeft met Al-Shabaab. De broer van eiseres is vermoord door Al-Shabaab omdat hij belasting (zhakat) aan hen was verschuldigd en hij dit niet kon betalen. De echtgenoot van eiseres is gevlucht na een aanslag en bedreiging door Al-Shabaab. De vader van eiseres kon eveneens de gevraagde belasting niet betalen aan Al-Shabaab en Al-Shabaab wilde eiseres uithuwelijken aan een van hun leden. Eiseres is om die reden ontvoerd, maar zij heeft kunnen ontsnappen. De vader van eiseres is vervolgens om het leven gebracht, waarna eiseres is gevlucht met haar gewonde moeder vanuit haar [tolk] naar [plaats]. Ook daar is eiseres bedreigd door Al-Shabaab. Na het overlijden van haar moeder is eiseres vertrokken uit Somalië.
3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres vindt verweerder geloofwaardig. De gestelde problemen van eiseres met Al-Shabaab vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiseres heeft haar verklaringen niet met objectieve documenten onderbouwd en zij heeft geen goede verklaring daarvoor. Daarnaast vormen de verklaringen van eisers geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo verklaart eiseres inconsistent over de eisen van Al-Shabaab richting haar vader en de inval in haar woning door Al-Shabaab. Ook verklaart zij inconsistent over de ontvoering, de bedreigingen door Al-Shabaab en de ziekte van haar moeder. Verweerder volgt daarom niet dat de familieleden van eiseres zijn overleden en zij daarom terug zal keren als alleenstaande vrouw. Het beroep van eiseres op het beleid voor alleenstaande vrouwen in Somalië slaagt daarom niet.
4. Eiseres voert daartegen aan dat verweerder ten onrechte haar asielaanvraag heeft afgewezen. Eiseres beschikt niet over documenten. Echter verweerder heeft niet onderzocht of het mogelijk is om (originele) documenten te verkrijgen. In strijd met de Kwalificatierichtlijn heeft verweerder bovendien ten onrechte vanwege het ontbreken van documenten het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig gevonden. In dat verband beroept eiseres zich op de bij tussenuitspraak van 7 januari 2025 door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, gestelde prejudiciële vragen. Eiseres stelt verder dat de inconsistenties in haar verklaringen te wijten zijn aan de door eiseres gevoelde noodzaak om zo uitgebreid mogelijk te verklaren. Verder stelt zij dat in Somalië sprake is van een situatie in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, (hierna: artikel 15c) van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder heeft in dat verband niet de benodigde individuele beoordeling van de situatie van eiseres gemaakt. Eiseres zal terugkeren als alleenstaande vrouw in Somalië met haar minderjarige zoon. Er is sprake van veelvuldig (seksueel) geweld tegen vrouwen en kinderen in Somalië. Eiseres verwijst ter onderbouwing naar een rapport van OCHA van maart 2023 en het meest recente Ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van maart 2025. Terugkeer naar Somalië is in strijd met het beginsel van refoulement, ook indien het relaas van eiseres ongeloofwaardig is.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Verweerder heeft niet ten onrechte de gestelde problemen van eiseres ongeloofwaardig gevonden. Verweerder heeft allereerst kunnen overwegen dat eiseres geen documenten heeft overgelegd om haar asielrelaas te onderbouwen en dat zij daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiseres heeft immers zelf verteld dat zij besloten heeft Somalië te verlaten toen haar moeder nog in het ziekenhuis lag. Verweerder mocht van eiseres verwachten dat zij vanaf dat moment in ieder geval alles in het werk zou stellen om documenten te verzamelen van de ziekenhuisopname van haar moeder. Ook is niet gebleken dat eiseres nadien geprobeerd heeft documenten te verzamelen, hoewel haar het belang van het overleggen van documenten is uitgelegd. Anders dan eiseres stelt ligt het op haar weg om aan te tonen dat het niet mogelijk is om documenten te verkrijgen. Tot slot volgt uit het bestreden besluit niet dat verweerder alleen vanwege het ontbreken van documenten het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig heeft gevonden. Verweerder heeft immers ook de verklaringen van eiseres op geloofwaardigheid beoordeeld.
6. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft verweerder terecht overwogen dat eiseres inconsistent verklaart over de eisen van Al-Shabaab richting haar vader, nadat hij geen geld had om Al-Shabaab te betalen. Zo verklaart eiseres enerzijds dat Al-Shabaab gewoon is weggegaan en niets eiste, terwijl zij anderzijds verklaart dat haar vader geld in moest zamelen in het dorp om Al-Shabaab te kunnen betalen. Deze tegenstrijdigheid is inhoudelijk niet door eiseres bestreden. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat eiseres inconsistent verklaart over de inval van Al-Shabaab in haar woning. Eiseres verklaart in haar vrije relaas eerst dat zij niet weet of haar moeder of vader de voordeur heeft opengemaakt, terwijl zij later verklaart dat Al-Shabaab de voordeur kapot heeft gemaakt. Dat eiseres in die zienswijze uitlegt dat zij de deur van haar kamer bedoelde, neemt niet weg dat zij in het gehoor inconsistent heeft verklaard op dit punt. Verweerder heeft verder gesteld dat eiseres op meerdere punten inconsistent verklaart over het tijdsverloop tijdens en na de ontvoering, over wat er is gebeurd toen zij de twee mannen tegenkwam na de ontvoering, de telefoontjes die zij van Al-Shabaab kreeg in [plaats], de ziekte van haar moeder en wanneer zij is vertrokken naar [plaats]. Deze inconsistenties zijn door eiseres inhoudelijk niet bestreden. De stelling van eiseres dat zij geprobeerd heeft zo uitgebreid mogelijk te verklaren waardoor zij overmatig heeft verklaard, is geen afdoende verklaring voor de door eiseres afgelegde tegenstrijdige verklaringen. Tot slot heeft verweerder kunnen overwegen dat eiseres inconsistent verklaard heeft over de documenten van de grond van haar ouders en haarzelf en de overdracht daarvan. Zo verklaart eiseres aanvankelijk in haar vrije relaas dat haar vader al zijn grond had weggegeven aan de schuldeisers. In de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor meldt eiseres dat zij nog een stuk grond in [plaats] van haar vader heeft geërfd. Ook heeft verweerder kunnen overwegen dat eiseres niet logisch verklaart over de reden waarom zij de documenten van de grond aan de twee mannen gaf om de vlucht van eiseres te betalen, terwijl zij enerzijds stelt niet te weten wat er in de documenten stond en of deze waarde hadden. Eiseres wordt gevolgd in haar stelling dat verweerder zijn standpunt dat de verklaringen van eiseres in strijd zijn met beschikbare landeninformatie niet heeft onderbouwd door te verwijzen naar een bron. Deze laatste conclusie doet echter niet af aan de voorgaande inconsistenties die verweerder terecht aan eiseres heeft tegengeworpen.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiseres bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft niet ten onrechte de gestelde problemen van eiseres met Al-Shabaab ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft daarom niet hoeven volgen dat eiseres als alleenstaande vrouw zal terugkeren naar Somalië, zodat de beroepsgronden in dat verband geen doel treffen. Evenmin is gebleken dat sprake is van een dermate hoog risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn dat sprake is van een reëel risico op ernstig schade bij terugkeer. Eiseres heeft deze vrees ook niet verder persoonlijk onderbouwd, anders dan door te stellen dat zij moet worden aangemerkt als alleenstaande vrouw, en dat heeft verweerder niet hoeven volgen.
Conclusie
8. Verweerder heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 20 augustus 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
WBV 2024/12 van 27 juni 2024, Staatscourant 2024 nr. 19165.
Richtlijn 2011/95/EU.
ECLI:NL:RBDHA:2025:139.
Paragraaf 2.4.4.