Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:15585
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,409 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35778
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).
Procesverloop
Verweerder heeft op 4 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T.B.H. Vu. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 9 juli 2025 (in de zaak NL25.28024) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Voortvarend handelen
3. Eiser betoogt dat er geen sprake is van voortvarend handelen, omdat verweerder steeds dezelfde handelingen verricht. Naar de mening van eiser kan niet worden volstaan met gestandaardiseerde voortgangsgesprekken. Volgens eiser bestaat er derhalve ook geen zicht op uitzetting.
3.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Der rechtbank merkt allereerst op dat uit de voortgangsrapportage en verslagen blijkt dat verweerder in de periode die nu ter toetsing voorligt (van 9 juli 2025 tot en met 13 augustus 2025), op 10 juli 2025, 25 juli 2025 en op 8 augustus 2025 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. De vertrekgesprekken kunnen als concrete stappen in het uitzettingsproces worden aangemerkt. Verweerder heeft tijdens het vertrekgesprek op 25 juli 2025 contact gezocht met de personen die uit de belgegevens van eiser naar voren zijn gekomen en heeft tijdens het vertrekgesprek op 8 augustus 2025 het telefoonnummer van de Vietnamese ambassade aan eiser gegeven om zelf met hen in contact te treden. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
3.2.
De rechtbank overweegt verder dat verweerder niet ten onrechte op zitting heeft gesteld dat er op dit moment te weinig informatie is om een lp-aanvraag te doen bij de Vietnamese autoriteiten, maar dat er nog mogelijkheden zijn om meer informatie omtrent de identiteit van eiser te verkrijgen. Verweerder heeft daarbij gewezen op een vriend van eiser in Hengelo en de mogelijkheid voor eiser om contact op nemen met de Vietnamese ambassade. Dat het eiser tot het moment van zitting niet zou zijn gelukt in contact te komen met de ambassade betekent niet dat de mogelijkheid daarmee niet meer bestaat. De rechtbank is bovendien van oordeel dat eiser kennis heeft kunnen nemen van de informatie die van hem wordt verlangd, bijvoorbeeld zijn familienaam of meer concrete informatie over zijn plaats van verblijf in Vietnam, en dat hij door deze informatie niet te verstrekken, niet voldoet aan zijn verplichting om identiteit en nationaliteit vast te (helpen) stellen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
4. Uit het voorgaande volgt dat eisers beroepsgronden niet leiden tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode (9 juli 2025 tot en met 13 augustus 2025) op enig moment onrechtmatig is geweest.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Horst - van Dee, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.