Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:15568
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,931 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6495
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.C.M. van Oort),
en
het college van Burgemeester en wethouders van Zoetermeer, het college
(gemachtigde: [naam] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor de energietoeslag 2023. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag heeft kunnen afwijzen. Eiser heeft dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 29 januari 2024 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiser voor de energietoeslag 2023 op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 13 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de afwijzing in stand gelaten.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
Waar gaat het bestreden besluit over?
3. Eiser heeft op 8 januari 2024 een aanvraag voor de energietoeslag 2023 ingediend. Eiser ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ter hoogte van € 1.106,41 per maand (exclusief vakantietoeslag) en een pensioen ter hoogte van € 306,82 per maand (exclusief vakantietoeslag). Zijn totale inkomen over de periode van oktober 2022 tot en met december 2022 bedroeg maandelijks € 1481,27 (inclusief vakantietoeslag). Het college heeft de aanvraag met het primaire besluit afgewezen omdat het inkomen van eiser in de referteperiode hoger was dan de voor hem geldende inkomensgrens van € 1.459,94.
3.1.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat volgens de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ eiser aanspraak heeft op een vakantietoeslag ter hoogte van €68,07 per maand. Het college ziet geen aanleiding om rekening te houden met het daadwerkelijk door eiser ontvangen bedrag aan vakantietoeslag. Dat er slechts sprake is van een overschrijding van de norm met € 21,33 per maand, vormt voor het college geen aanleiding om in afwijking van het beleid de energietoeslag toe te kennen. Dat andere gemeentes de norm op 130% in plaats van 120% van de bijstandsnorm hebben vastgesteld, evenmin. Het college ziet ook geen aanleiding om op basis van de hardheidsclausule uit de beleidsregels de energietoeslag toe te kennen. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet het college geen dringende redenen. Ook is er geen sprake van een onevenredige belangenafweging.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert in beroep aan dat het college dient uit te gaan van het daadwerkelijk ontvangen bedrag aan vakantietoeslag ter hoogte van € 61,71 per maand. De overschrijding van de norm bedraagt dan € 14,97 in plaats van € 21,33. Eiser voert daarnaast aan dat het besluit voor hem onredelijk bezwarend is. Hij ontvangt al 30 jaar een inkomen rond het sociaal minimum. Hierdoor heeft hij geen buffer kunnen opbouwen. De energietoeslag is daarom van groot belang voor zijn inkomenssituatie. Het college heeft ten onrechte geen aandacht besteed aan de reden waarom het inkomen van eiser boven 120% van de bijstandsnorm uitkomt. Dit is namelijk het gevolg van het feit dat de bijstandsuitkeringen sinds januari 2023 langzamer stijgen dan de uitkeringen op grond van de WAO. Hierdoor is de verhouding tussen de normbedragen verandert. Eiser ondervindt hiervan gevolgen met betrekking tot zijn recht op toeslagen. Ook zijn hierdoor zijn verzoeken tot kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen (gedeeltelijk) afgewezen. Het college had deze opeenstapeling van tegenvallers moeten onderkennen in het kader van de belangenafweging.
Wat oordeelt de rechtbank?
5. Om de categoriale verstrekking van de energietoeslag mogelijk te maken is artikel 35 van de Pw gewijzigd. Op grond van het – toegevoegde – vierde lid onder b kan, in afwijking van het eerste lid, tot en met 31 augustus 2024 ook bijzondere bijstand worden verleend in de vorm van een eenmalige energietoeslag, zonder dat wordt nagegaan of de betrokkene in dat jaar een sterk gestegen energierekening had.
5.1.
In de memorie van toelichting bij de wijziging van de Pw in verband met het eenmalig categoriaal verstrekken van een energietoeslag aan huishoudens met een laag inkomen en het verstrekken van een eenmalige tegemoetkoming voor energiekosten aan uitwonende studenten met een aanvullende beurs in 2023, staat onder andere het volgende:
“Met het wetsvoorstel krijgen gemeenten de bevoegdheid om in het jaar 2023 een eenmalige energietoeslag toe te kennen aan huishoudens met een laag inkomen. Het feit dat de eenmalige energietoeslag onderdeel zal uitmaken van de categoriale bijzondere bijstand, betekent dat gemeenten beleidsvrijheid hebben ten aanzien van de vormgeving:
– het college bepaalt binnen het wettelijke kader de doelgroep van de eenmalige energietoeslag, hetgeen betekent dat het college bepaalt wat er onder een «laag inkomen» moet worden verstaan;
-het college bepaalt bij de formulering van de doelgroep of, aanvullend op de in de wet bepaalde uitsluitingen, groepen moeten worden uitgesloten van het recht op een eenmalige energietoeslag;
– het college bepaalt de hoogte van het bedrag van de toe te kennen eenmalige energietoeslag, eventueel gedifferentieerd naar leefsituatie.”
en verder:
“De doelgroep van de eenmalige energietoeslag bestaat uit huishoudens met een laag inkomen, dat wil zeggen een inkomen op of net boven het sociaal minimum. In dit wetsvoorstel krijgt het college, net als in 2022, de bevoegdheid om zelf nader invulling te geven aan wat onder een «laag inkomen» moet worden verstaan. Uit de uitvoering van de energietoeslag van 2022 blijkt dat gemeenten veelal een inkomensgrens van 120% of 130% van het sociaal minimum hanteren. Bij iedere nadere invulling aan het begrip «laag inkomen» is het onvermijdelijk dat er huishoudens zijn, die net buiten het bereik van de regeling zullen vallen. Daarbij kan het ook gaan om huishoudens die wel degelijk te maken hebben met een financieel probleem als gevolg van een sterk gestegen energierekening. De regering benadrukt dat gemeenten voor deze huishoudens maatwerkoplossingen kunnen bieden via het bestaande instrument van de individuele bijzondere bijstand.”
5.2.
Wanneer een betrokkene recht heeft op de energietoeslag heeft het college uitgewerkt in de Beleidsregels eenmalige energietoeslag 2023 (de beleidsregels). Uit artikel 2 van de beleidsregels volgt dat de eenmalige energietoeslag bedoeld is voor mensen met een laag inkomen, dat wil zeggen een inkomen tot 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het in aanmerking te nemen inkomen is het inkomen over de laatste drie maanden voorafgaand aan de aanvraag. Onder het inkomen wordt in ieder geval verstaan het netto inkomen uit een uitkering inclusief vakantietoeslag. Dit volgt uit artikel 5 van de beleidsregels.
5.3.
In de beleidsregel is voor de bepaling van het inkomen aansluiting gezocht bij de bepalingen die gelden voor de algemene bijstand (artikelen 31 tot en met 33 van de Pw). In artikel 31, vierde lid, van de Pw is bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot het in aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen. De nadere regels met betrekking tot het in aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen zijn opgenomen in de artikelen 8 tot en met 14 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ (de regeling).
5.4.
In artikel 8 van de regeling is bepaald dat onder inkomen wordt verstaan het “in aanmerking te nemen inkomen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet voorzover daarover aanspraak op vakantietoeslag bestaat, zonder de daarin begrepen aanspraak op vakantietoeslag, na aftrek van de daarover verschuldigde loonbelasting, premies, bijdragen en inhoudingen, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de wet.”
5.5.
Ingevolge artikel 10 van de regeling neemt het college, indien over het inkomen van de belanghebbende aanspraak op vakantietoeslag bestaat, bij de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand mede de op grond van de artikelen 11, 12, 13 of 14 berekende aanspraak op vakantietoeslag in aanmerking. Omdat eiser een uitkering ontvangt op grond van de WAO is op hem artikel 12 van de regeling van toepassing. Eisers aanspraak op vakantietoeslag bedraagt volgens deze regeling 8% maal € 1.106,41 min € 20,47, en komt daarmee uit op € 68,07 per maand. Over eisers pensioen vanuit het ABP wordt geen vakantietoeslag berekend.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie Staatsblad 2022, 321, in werking getreden op 26 augustus 2022, in samenhang met Staatsblad 2023, 329, in werking getreden op 7 oktober 2023.
Kamerstukken II 2022/2023, 36 389, nr. 3, p. 6.
Kamerstukken II 2022/2023, 36 389, nr. 3, p. 7.
Kamerstukken II 2021/2022, 36 389, nr. 3, p. 7.