Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:1550
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,481 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2258
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Procesverloop
Bij besluit van 12 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen (via een beeldverbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ontbreekt de grondslag voor bewaring?
1. Eiser betoogt dat de grondslag voor de maatregel van bewaring ontbreekt, omdat hij - als EU-onderdaan - het recht heeft om zich vrij te verplaatsen en vrij te verblijven op het grondgebied van de EU-lidstaten. Daarnaast vormt eiser geen direct gevaar voor de openbare orde en heeft de minister nagelaten om een verwijderingsbesluit zoals bedoeld in artikel 15 van de Verblijfsrichtlijn te nemen. De minister heeft daarmee in strijd gehandeld met de artikelen 20, tweede lid, 21 en 23 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
1.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de minister bij besluit van 2 december 2024 heeft vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf (meer) heeft in Nederland en dat hij Nederland binnen een maand moet verlaten. Dit besluit is op 4 december 2024 aan eiser in persoon uitgereikt en staat in rechte vast. Dit is een verwijderingsbesluit in de zin van artikel 15 van de Verblijfsrichtlijn. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet aan zijn vertrekplicht heeft voldaan. Dit betekent dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en de minister hem op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring kon stellen. Dat eiser geen direct gevaar voor de openbare orde zou vormen, maakt niet dat de grondslag voor de maatregel van bewaring ontbreekt. Het verwijderingsbesluit biedt hier voldoende grondslag voor. Voor zover eiser hiermee de juistheid van het verwijderingsbesluit heeft willen betwisten merkt de rechtbank op dat dit besluit niet ter toetsing voorligt.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel?
2. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. Daartoe voert eiser aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn leeftijd, zijn medische omstandigheden, dat hij een EU-onderdaan is en dat hij wil meewerken aan zijn vertrek uit Nederland.
2.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De minister verwijst daarbij in eerste instantie terecht naar de door eiser niet bestreden gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel van bewaring en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Dat eiser een EU-onderdaan is maakt dit niet anders. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat de medische gesteldheid van eiser voldoende door hem is meegewogen. Zo is eiser voorafgaand aan zijn inbewaringstelling gezien door een arts. Die heeft aangegeven dat zij geen bezwaren had tegen de insluiting van eiser. Verder is in het detentiecentrum medische zorg aanwezig voor eiser mocht hij dat nodig hebben. In algemene zin geldt dat medische voorzieningen in het detentiecentrum vergelijkbaar moeten worden verondersteld met de medische zorg in de vrije maatschappij. Verder heeft de minister in de maatregel over de leeftijd van eiser terecht niets overwogen aangezien hij meerderjarig is. Bovendien heeft eiser voorafgaand aan de maatregel dan wel in beroep niet onderbouwd waarom zijn (relatief) jonge leeftijd maakt dat van de maatregel moet worden afgezien. Ook in de omstandigheid dat eiser heeft aangegeven vrijwillig te willen vertrekken heeft de minister geen reden hoeven zien om een lichter middel op te leggen. De minister heeft er op zitting terecht op gewezen dat eiser op dit moment niet over zijn paspoort beschikt.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Richtlijn 2004/38/EG.
ABRvS 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.