Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:15437
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,595 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.36481 en NL25.36493
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer 1], eiser
[eiseres]
, V-nummer: [V-nummer 2], eiseres
mede namens hun minderjarige kind
[minderjarige]
, V-nummer: [V-nummer 3]
hierna gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 5 augustus 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen, omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eisers stellen te zijn geboren op respectievelijk [geboortedag 1] 1988, [geboortedag 2] 1986 en [geboortedag 3] 2013. Allen stellen de Ethiopische nationaliteit te hebben. Zij hebben op 20 maart 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eisers op 17 augustus 2016 in Duitsland verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend. Verweerder heeft daarom op 15 mei 2025 de autoriteiten van Duitsland verzocht om eisers terug te nemen. Op 19 mei 2025 hebben de Duitse autoriteiten dit verzoek aanvaard.
3. Eisers voeren het volgende aan. Verweerder miskent dat eisers risico lopen op indirect refoulement bij overdracht aan Duitsland. De asielaanvragen die eisers in 2016 in Duitsland hebben ingediend zijn afgewezen en aan hen zijn reeds terugkeerbesluiten uitgevaardigd. Eisers vrezen bij overdracht in vreemdelingenbewaring te worden gesteld ter fine van uitzetting naar Ethiopië, waar zij een risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarnaast dient verweerder de asielaanvragen van eisers op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling te nemen, omdat Duitsland zich niet houdt aan haar internationale verplichtingen. Duitsland maakt zich namelijk schuldig aan illegale pushbacks. Ter onderbouwing hiervan verwijzen eisers naar twee uitspraken van het Verwaltungsgericht Berlin.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat maakt dat ervan mag worden uitgegaan dat Duitsland de asielaanvragen van eisers zal behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat dit in hun geval niet kan en dat in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid.
5. Eisers zijn hier niet in geslaagd. Uit de door eisers overgelegde Duitse rechterlijke uitspraken volgt niet dat Dublinclaimanten in Duitsland een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks. Met het claimakkoord garanderen de Duitse autoriteiten dat eisers de mogelijkheid krijgen om daar een nieuw asielverzoek in te dienen. De Duitse autoriteiten zijn gebonden aan internationale verplichtingen bij het behandelen van de asielaanvragen van eisers. Indien eisers menen dat Duitsland zijn verplichtingen jegens hen niet nakomt, ligt het op hun weg om te klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Niet gebleken is dat die hen niet zouden willen helpen of dat klagen bij voorbaat onmogelijk of zinloos is.
6. De beroepsgrond van eisers dat sprake is van (indirect) refoulement omdat zij vrezen dat Duitsland hen zal uitzetten naar Ethiopië treft geen doel. Eisers kunnen in de Dublinprocedure geen beroep op doen op het (indirect) refoulementbeginsel wanneer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt onder andere uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024.
7. Eisers hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft dan ook geen toepassing hoeven geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.
8. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers terecht niet in behandeling genomen. De beroepen zijn kennelijk ongegrond.
9. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 18 augustus 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
ECLI:EU:C:2023:934.
ECLI:NL:RVS:2024:2359.